dinsdag 14 juni 2011 14:46
Jelle Zijlstra was in totaal ruim vijf jaar minister van Financiën
Lees de vorige weblogs Op Financiën
Dr. J. Zijlstra (1918-2001), minister van Financiën van 22 december 1958 tot 24 juli 1963 en van 22 november 1966 tot 5 april 1967 (de laatste periode tevens minister-president). Lid van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Econoom.
Pas 34 jaar was Jelle Zijlstra toen hij begin september 1952 voor het eerst minister werd, van Economische Zaken, in het kabinet-Drees III.
Hoogleraar was hij al, en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER). Een briljante man, al hielpen bij de snelle start van zijn carrière ook zijn kerkelijke gezindte (gereformeerd) en zijn daarmee samenhangende politieke aansluiting bij de ARP (een van de partijen die veel later, in oktober 1980, zijn opgegaan in het CDA).
Leerstoel
In Rotterdam, waar Zijlstra aan de Nederlandse Economische Hogeschool in 1945 zijn studie economie met een monetair-theoretisch proefschrift had afgerond en waar hij vervolgens doceerde, had hij op een leerstoel moeten wachten.
Maar toen de gereformeerde Vrije Universiteit in Amsterdam een nieuwe economische faculteit oprichtte, stond daar meteen een leerstoel voor hem klaar. Hij werd er in 1948 hoogleraar economische wetenschappen.
Regeringsdeelname van de ARP aan het nieuwe, derde kabinet-Drees (1952-1956) betekende dat die partij een minister kon leveren uit de economische hoek.
Moderne vleugel
Met een intelligente kritiek op een PvdA-publicatie over economisch beleid was de jonge hoogleraar ook in de kring van Willem Drees (PvdA) opgevallen als een man met wie gewerkt zou kunnen worden. De oude garde in de ARP stond het grommend toe. Dat Zijlstra, zoon van een handelsondernemer op het Friese platteland, eerder had overwogen zich bij PvdA aan te sluiten, wist zij toen vast niet.
Zo kwam hij in het kabinet als vertegenwoordiger van de in economische zaken moderne vleugel van de ARP, de partij van de vooroorlogse bezuinigingspremier Hendrik Colijn die voorheen op dat terrein zo conservatief was.
Sterke indruk
Getuige zijn memoires voelde Zijlstra zich snel thuis bij de regeerstijl van Drees. In de Tweede Kamer maakte hij vanaf het begin een sterke indruk, zo sterk dat de ARP hem bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1956 als lijsttrekker naar voren schoof, over de hoofden van veel oudere partijtijgers heen.
De verkiezingen waren geen opmerkelijk succes voor de ARP, maar Zijlstra hield zijn ministersportefeuille.
Na de val van het laatste kabinet-Drees in december 1958 door aftreden van de premier en alle andere PvdA-ministers na een heftig conflict met de KVP - over een door PvdA-minister van Financiën Henk Hofstra gewenste belastingverhoging - nam Zijlstra in het overgangskabinet-Beel II ad interim het ministerie van Financiën erbij.
In het volgende kabinet-De Quay (1959-1963) werd hij definitief minister van Financiën.
Zijlstra-norm
Net als eerder op Economische Zaken zette hij al snel zijn stempel op het beleid. De Zijlstra-norm werd geboren, ofwel het 'trendmatige' begrotingsbeleid. De norm werd officieel onthuld in september 1960, in de Miljoenennota voor het jaar 1961.
De middelen van de overheid, had Zijlstra berekend, zouden stijgen door economische groei en door de progressie in de belastingen, waardoor de overheid bij groei zonder ingrijpen elk jaar een groter deel van het nationaal inkomen naar zich toe zou trekken.
Dat gaf de financiële grenzen aan, van jaar op jaar voorzag hij in totaal ruim 5 procent meer overheidsinkomsten. Een overheidstekort achtte Zijlstra geoorloofd, gewenst zelfs om de economie te helpen stabiliseren.
Een spaarzaam land, betoogde hij later eens, kan een hogere belastingdruk en een hoger financieringstekort hebben dan een weinig spaarzaam land. En Nederland was spaarzaam. De besparingen in Nederland zouden in Zijlstra’s visie de investeringsbehoefte van het bedrijfsleven overtreffen, en het was aan de overheid om dat spaaroverschot af te romen.
Door niet elk jaar de begroting af te stemmen op de actuele stand van de economie zou zo een bestendiger beleid ontstaan dat in goede tijden kleine tekorten meebracht en in slechte tijden grotere, terwijl de uitgaven niet telkens hoefden worden aangepast als de belastingopbrengsten tegenvielen.
‘De conjunctuur zou in beginsel worden veronachtzaamd,’ aldus Zijlstra.
Rijksuitgaven
Het confessioneel-liberale kabinet-De Quay had zich voorgenomen de belastingdruk te verlagen en de rijksuitgaven achter te laten blijven bij de groei van het nationaal inkomen. Dat eerste lukte niet, maar daar tilde Zijlstra niet bepaald zwaar aan, want ook door het relatief hoog houden van de belastingdruk werd de voortdurende hoogconjunctuur wat getemd.
Er kwamen wel verlagingen van belastingen die voor de burger het meest voelbaar waren: de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de ‘weeldebelasting’, een hoge omzetbelasting op als luxe beschouwde producten. Maar de beloofde verlagingen werden vertraagd ingevoerd, en fiscale voordelen voor het bedrijfsleven werden geschrapt of uitgesteld.
Bovendien leende het Rijk ruim op de kapitaalmarkt. Meer zelfs dan het nodig had. Dat was ook om de conjunctuur te dempen, want de uitgaven bleven vrijwel volgens plan onder controle.
Een betere beheersing van de rijksuitgaven was een belangrijk doel van Zijlstra. Hij had gezien hoe vakministers vooral in de tijd van Johan van de Kieft voortdurend nieuwe claims bij de minister van Financiën deponeerden. Door zijn begrotingsbeleid, waaraan de andere ministers zich hadden verbonden, legde Zijlstra het uitgavenkader vast.
Bovendien gaf hij alle ministers al bij de begrotingsvoorbereiding streefcijfers op. Ministers die meer wilden uitgeven, moesten vervolgens in de slag met hun collega’s in plaats van met de minister van Financiën.
Kritiek
Ondanks zijn succes in het beheersen van de rijksuitgaven kreeg Zijlstra’s benadering kritiek van oud-minister van Financiën Piet Lieftinck, op dat moment president van de Wereldbank. Die vond dat Zijlstra ‘de mensen vertrouwd [heeft] gemaakt met tekorten’, en zo de basis legde voor de verslapping van de begrotingsdiscipline. Inderdaad raakte op den duur de discipline ondermijnd.
Zijlstra heeft zich daar in een nieuwe rol nog lang druk over gemaakt. Na zijn ministerschap van Financiën trok hij zich vrijwel terug uit de politiek, alleen een zetel in de Eerste Kamer accepteerde hij, naast commissariaten en een hernieuwd hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit.
Topfunctie
Maar weldra lag een nieuwe topfunctie in het verschiet: president van De Nederlandsche Bank. Marius Holtrop, de zittende president, noemde in 1966 Zijlstra als zijn opvolger en kreeg daarbij zowel de bank als de toenmalige PvdA-minister van Financiën Anne Vondeling mee.
De benoeming was al rond toen Zijlstra plotseling werd teruggehaald in de politiek, als premier en als minister van Financiën van een interim-kabinet dat slechts enkele maanden zou zitten.
Vondeling probeerde nog te voorkomen dat de aankomende bankpresident die rol kreeg, maar Zijlstra leverde zijn benoeming in. De commissarissen van de bank besloten de presidentszetel vrij te houden, en Zijlstra’s opvolger op het ministerie van Financiën, Johan Witteveen, benoemde hem opnieuw.
Per 1 mei 1967 werd Zijlstra zo toch president van De Nederlandsche Bank, wat hij bleef tot 1982.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement