zaterdag 26 mei 2012

Weblog Op Financiën

Anne Vondeling: thuis in financiën

vrijdag 12 augustus 2011 13:04


Als Kamerlid had Vondeling nog een fulltime baan buiten de Tweede Kamer Als Kamerlid had Vondeling nog een fulltime baan buiten de Tweede Kamer

Lees meer

Dr. A. Vondeling (1916-1979) minister van Financiën van 14 april 1965 tot 22 november 1966. Lid van de PvdA. Landbouweconoom.

Net als Piet Lieftinck belandde de Fries Anne Vondeling, zoon van een boer die lid was van Provinciale Staten, met de 'doorbraak' in februari 1946 in de nieuwe Partij van de Arbeid. Vondeling kwam over van de oude liberale Vrijzinnig Democratische Bond (VDB). Daar was hij prominent lid van de jongerenorganisatie VDJO geweest. Bij de bevrijding in 1945 was hij een van de ondertekenaars van het manifest van de Nederlandse Volksbeweging, een goeddeels mislukte poging om tot vergaande politieke vernieuwing te komen.

Onderbrekingen
De landbouweconoom, in 1940 afgestudeerd aan wat nu Wageningen University & Research centre heet werd, zodra dat na de Tweede Wereldoorlog mogelijk was, hartstochtelijk politiek actief. De verkiezingen in de zomer van 1946 brachten hem namens de PvdA in de Tweede Kamer. Daarvan maakte hij, met twee korte onderbrekingen wegens ministerschappen, meer dan dertig jaar deel uit. Vondeling was net begonnen als lid van het in 1979 voor het eerst rechtstreeks gekozen Europees Parlement, toen hij omkwam bij een auto-ongeluk in België.

Zoals zoveel politici in die tijd had Vondeling naast zijn Kamerlidmaatschap nog een fulltime baan buiten de Kamer. Dit duurde tot zijn eerste ministerschap, in 1958.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij voor de provincie Friesland gewerkt, en intussen onder meer meegewerkt aan het illegale blad Je Maintiendrai. In 1945 werd hij directeur van het boekhoud- en belastingadviesbureau voor de landbouw (CCLB) in Leeuwarden. In 1948 promoveerde hij in Wageningen op het proefschrift De bedrijfsvergelijking in de landbouw, een economisch-statistische studie.

Oppositievoeren
Ondanks die (bedrijfs-)economische achtergrond was hij als politicus lange tijd vooral landbouwexpert. Dat leverde hem ook zijn eerste ministerspost op. Begin 1958 vertrok de befaamde PvdA-landbouwminister Sicco Mansholt naar de nog jonge Europese Commissie in Brussel, en Vondeling volgde hem op. Met de val van het laatste kabinet-Drees in december 1958 was het alweer gedaan met zijn ministerschap. Hij keerde terug in de Tweede Kamer.

In 1962 werd hij als opvolger van Jaap Burger fractievoorzitter en partijleider, en daarmee in die periode de belangrijkste oppositieleider tegen de christen-democratisch-liberale coalitiekabinetten De Quay en Marijnen.

Het oppositievoeren ging hem goed af, maar de verkiezingen van 1963 brachten de PvdA niet het gehoopte succes en geen regeringsdeelname. Toen het in 1963 gevormde kabinet-Marijnen al na anderhalf jaar viel, ontstond onder leiding van Jo Cals (KVP, een van de voorlopers van het CDA) weer een coalitie met de PvdA en zonder de VVD. Daarin werd Vondeling vicepremier en minister van Financiën.

Eigenlijk had hij liever Buitenlandse Zaken gekregen, maar de KVP wilde haar populaire minister Joseph Luns niet opofferen – zeker niet voor Vondeling die zelf schrijft dat hij als 'de grootste vijand van Luns' werd beschouwd.

Knelpunten
In de financiën was Vondeling wel thuis, zowel door zijn academische achtergrond als door het feit dat hij voor 1958 een tijdje de eerste financiële woordvoerder van de PvdA was. Zijn kennis van belastingzaken vond hij echter te beperkt. Daarvoor kwam een KVP-staatssecretaris, Willem Hoefnagels.
Het ministerschap duurde te kort om groot effect te hebben. Plannen om het ministerie te reorganiseren en meerjarenramingen in te voeren waren nog niet voltooid toen ook het kabinet-Cals viel, over een begrotingsconflict. Vondelings zuinigheid ten spijt.

Het kabinet-Cals had de ambitie om ter oplossing van maatschappelijke knelpunten relatief meer uit te geven dan haar voorganger, maar wel binnen de kaders van het door de vroegere minister Jelle Zijlstra geformuleerde trendmatige begrotingsbeleid.

Zijlstra schreef later: 'men kan naar mijn mening Vondeling niet van een onsolide beleid beschuldigen.' Maar Vondeling slaagde er uiteindelijk niet in de KVP-Kamerfractie nog langer mee te krijgen voor zijn begrotingsplannen, terwijl zijn eigen PvdA na de vorming van het kabinet zowel bij de provinciale als de raadsverkiezingen verloor. Dat gebeurde in een economisch klimaat van uit de hand lopende groei en snel oplopende inflatie. Hier leed de Nederlandse export onder, en de overheidsuitgaven stegen door de inflatie sneller dan voorzien.

Het kabinet probeerde het tij te keren door een tijdelijke personeelsstop voor het rijk, het temporiseren van overheidsinvesteringen en andere uitgaven, en door prijsbeheersende maatregelen. Ook belastingen moesten een matigend effect hebben op de ontwikkeling van de economie. De nog altijd hoog geachte inkomstenbelasting moest omlaag, mits elders gecompenseerd. In 1968 wilde Vondeling onder meer de omzetbelasting verhogen, in 1967 de benzineaccijns alvast met 4 cent per liter opvoeren en als tijdelijke maatregel de inkomstenbelasting versneld innen.

Bij de behandeling van de begroting voor het jaar 1967 stuitten deze plannen op bezwaren in de regeringscoalitie.

Bitterheid
Het begrote tekort stond op slechts op anderhalf procent van het nationaal inkomen. De Kamerfractie van de KVP, de belangrijkste christen-democratische partij achter het KVP-ARP-PvdA-kabinet, was echter ontevreden over de vooruitzichten voor 1968. Financieel woordvoerder Harrij Notenboom van de KVP vreesde door meeruitgaven een aanzienlijk grotere lastenverzwaring in 1968 dan Vondeling voorzag.
Aan het eind van een marathonvergadering, bekend geworden als de 'Nacht van Schmelzer' diende KVP-fractieleider Norbert Schmelzer een motie in.

Daarin vroeg hij het kabinet Cals-Vondeling 'voorstellen te doen' voor een betere dekking van de uitgaven in 1967 en het voorkomen van extra uitgavenstijgingen in 1968. Het kabinet achtte de motie onaanvaardbaar, maar ze werd met steun van veruit de meeste KVP-Kamerleden en de rechtse oppositiepartijen aangenomen (75 tegen 62 stemmen).

De gang van zaken leidde tot veel bitterheid in de PvdA en een kleine afsplitsing van de KVP, alsmede het einde van Vondelings partijleiderschap. Als minister had hij zich van de fractie vervreemd, en weerstand gewekt bij de steeds hoorbaarder 'Nieuw Linkse' vleugel van zijn partij. De minster van Economische Zaken in het kabinet-Cals, Joop den Uyl, volgde hem op. Dat besluit was trouwens al genomen voor de 'Nacht van Schmelzer'.

Vondeling raakte kort daarop zwaargewond bij een auto-ongeluk. Na zijn herstel was hij enige tijd partijvoorzitter. In 1972 droeg zijn partij hem voor als Kamervoorzitter, en dat bleef hij tot zijn vertrek uit de Kamer in 1979. Vrijwel zijn hele volwassen leven woonde Vondeling in Leeuwarden, waar hij alllerlei bestuursfuncties vervulde.


advertentie