maandag 5 september 2011 11:33
Roelof Nelissen voerde als minister van Financiën een harde lijn
Mr. R.J. Nelissen (geboren 1931), minister van Financiën van 6 juli 1971 tot 11 mei 1973. Lid van de KVP. Jurist.
Hedendaagse critici maken zich nogal eens druk over de politieke invloed die lobbyisten achter de schermen hebben. Een halve eeuw geleden liepen veel lobbyactiviteiten anders. De voormannen van belangengroepen werden zelf gekozen in de Tweede Kamer. In het verzuilde Nederland van toen hoorde dat erbij.
Zo baarde het in juni 1963 geen enkel opzien dat mr. Roelof Nelissen, op dat moment een jaar algemeen secretaris van de Nederlandse Rooms-Katholieke Middenstandsbond (NRKM, veel later opgegaan in MKB-Nederland) voor de KVP (een voorloper van het CDA) in de Tweede Kamer kwam, tegelijk bij de NRKM in functie bleef en als Kamerlid het woord ging voeren op de terreinen waar zijn achterban belangen had, vooral economische zaken.
Katholiek
Nelissen werd geboren op 4 april 1931 in Hoofdplaat, Zeeland. Hij was de zoon van een uit Haarlem afkomstige functionaris bij een waterschap in westelijk Zeeuws-Vlaanderen. Zijn opleiding kreeg hij op een katholieke jongenskostschool in Dongen, Noord-Brabant, en aan de juridische faculteit van de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1956 begon hij kort na zijn afstuderen bij de kleine ‘standsorganisatie’ NRKM als adjunct-secretaris.
In de Tweede Kamer deed hij het goed. Eind 1963 al werd hij tweede secretaris van de KVP-fractie, in 1965 viel zijn naam als mogelijke staatssecretaris voor Middenstandszaken.
Begin 1970 was Leo de Block, KVP-minister van Economische Zaken in het confessioneel-liberale kabinet-De Jong, de golf van kritiek zat die hem overspoelde nadat de invoering van de nieuwe omzetbelasting btw had geleid tot extra prijsstijgingen.
Bovendien vond De Block dat de vakbeweging zich niet hield aan afspraken over loonmatiging. Hij trad 7 januari 1970 af.
Nelissen volgde hem op, maar niet voor lang, want 1971 was een verkiezingsjaar.
Vice-premier
De KVP verloor aanzienlijk in de verkiezingen. Maar Nelissen schoof door naar Financiën en werd vice-premier in het nieuwe kabinet-Biesheuvel.
Dat kabinet vond zijn Kamermeerderheid door de bestaande coalitie KVP-ARP-CHU-VVD uit te breiden met nieuwkomer DS’70, een ‘rechtse’ afsplitsing van de PvdA.
Voormalig thesaurier-generaal Willem Drees, een zoon van de vroegere premier, was een van de voormannen van de nieuwe partij en werd minister van Verkeer en Waterstaat. Drees jr. gold als een zuinig man, DS’70 voerde campagne als bezuinigingspartij.
Toch leidde een diepgaand conflict over bezuinigingen die Nelissen van Drees eiste al na een jaar tot het einde van de coalitie met de nieuwe partij. Uiteindelijk ging het nog maar om een verschil van 33 miljoen gulden, maar een compromis zat er niet meer in.
Het uitgedunde kabinet-Biesheuvel, mét Nelissen, ging door zonder DS’70, tot in mei 1973 na nieuwe verkiezingen eindelijk een volgend kabinet kon aantreden.
Harde lijn
Nelissen voerde niet voor niets een harde lijn, harder dan zijn voorganger Johan Witteveen. Het waren jaren van hoogconjunctuur en grote loon- en prijsstijgingen, en daarmee gepaard gaande oplopende overheidstekorten.
Witteveen had in het voorjaar van 1971 voor dat lopende jaar nog een tekort van 2,2 miljard gulden voorzien. Maar in de Miljoenennota die Nelissen in september 1971 indiende, was het verwachte tekort voor het lopende jaar gestegen tot 3,9 miljard gulden bij een wat tegenvallende economische groei.
Nelissen reageerde met het handhaven van de belastingverhoging op basis van de ‘wiebeltaks’ die Witteveen had geïntroduceerd. Hierdoor konden bepaalde belastingen tijdelijk worden verhoogd of verlaagd om zo de conjunctuur af te remmen of te stimuleren.
Met ingang van 1973 werd een reeks belastingen definitief verhoogd. Het hoge btw-tarief, bij de invoering van die belasting 12 procent, ging naar 16 procent, de vennootschapsbelasting van 46 naar 48 procent, de vermogensbelasting werd hoger en voor de inkomstenbelasting werd het nog steeds bestaande schijventarief ingevoerd, met in de hoogste schijf (boven 125.000 gulden) een belasting van 71 procent (momenteel is het maximum 52 procent).
Tijdens Nelissens ministerschap gingen zo, net als eerder onder Witteveen, de belasting- en premiedruk op het nationaal inkomen elk jaar omhoog.
In 1969 vergden belastingen nog maar 24,9 procent van het netto nationaal inkomen, sociale premies slechts 8,9 procent. In 1973 was de belastingdruk 29,5 procent, de premiedruk mede door nieuwe sociale verzekeringen als de WAO, 18,2 procent.
Greep op de begroting
Uiteraard was dat niet alleen toe te schrijven aan het beleid van de ministers van Financiën. Het kabinet en de Tweede Kamer – en de meeste kiezers – vroegen om een steeds sterkere rol van de overheid en sociale zekerheid in de samenleving.
Er was bovendien wel degelijk oog voor beheersing van de uitgaven. Nelissen kwam meteen met het ‘stringente begrotingsbeleid’: overschrijdingen op de begroting van een ministerie moesten binnen datzelfde begrotingshoofdstuk worden gecompenseerd.
Overschrijdingen zou de minister van Financiën vooraf moeten goedkeuren, bij verschil van mening zou het kabinet beslissen.
Voor een betere greep op de begroting, kon Nelissen werken met nieuwe instrumenten die onder zijn voorgangers waren voorbereid: de eerste studies van de ambtelijke Studiegroep Begrotingsruimte, die nauwkeuriger beredeneerden hoe groot het overheidstekort zou mogen zijn, en de eerste meerjarenramingen (schatting en beschrijving van de voorziene en beraamde kosten over een aaneengesloten periode).
Maar nog was er veel inspanning nodig om de begroting in totaal op orde te houden. Bij het conflict in het kabinet-Biesheuvel speelde mee dat de DS’70-ministers overheidsingrepen in de cao’s en in de prijzen hadden gewenst, om zo door beperktere loonstijging de overheidsuitgaven met minder bezuinigingen te kunnen beheersen.
Klein overschot
De volgens huidige maatstaven herberekende tekorten van de totale overheid (Rijk, lagere overheden, sociale fondsen) waren overigens helemaal niet zo alarmerend. Het tekort in het laatste jaar van financiënminister Witteveen, 1971, beliep 1,6 procent van het bruto binnenlands product (alles wat burgers en bedrijven samen in een jaar verdienen).
Nelissen bracht het in 1972 terug tot 0,7 procent en bereikte in 1973 zelfs een klein overschot, van 0,5 procent. Dat was een jaar van een sterk opverende economische groei, 5,4 procent meer binnenlands product tegen 3,5 procent meer in 1972.
Nelissen keerde in 1973 niet terug als minister in het kabinet-Den Uyl. Dat jaar verliet hij de politiek om adviseur en een jaar later bestuurslid te worden van de AMRO Bank. Een voorloper van de AMRO had twintig jaar eerder al eens een oud-KVP-minister aangetrokken als bestuurder, Jan van den Brink, inmiddels opgeklommen tot bestuursvoorzitter van de AMRO Bank.
In 1983 werd Nelissen op zijn beurt voorzitter van de raad van bestuur van de bank. Zeven jaar later was hij een van de initiatiefnemers van een fusie tussen AMRO Bank en Algemene Bank Nederland (ABN).
Zo ontstond ABN AMRO, op dat moment nummer zestien op de wereldranglijst van banken, waarvan Nelissen tot in mei 1992 eveneens bestuursvoorzitter was.
Na zijn terugtreden uit de raad van bestuur van ABN AMRO bekleedde Nelissen nog tal van commissariaten.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement