vrijdag 14 oktober 2011 15:39
Wim Duisenberg was populair, mede dankzij zijn goede presentatie
Dr. W.F. Duisenberg (1935-2005), minister van Financiën van 11 mei 1973 tot 19 december 1977. Lid van de PvdA. Econoom.
Met Wim Duisenberg trad voor het eerst sinds Piet Lieftinck weer een minister van Financiën aan zonder voorafgaande politieke ervaring.
Duisenberg was de zoon van een hoofdopzichter bij De Heerenveense Waterleiding. Hij was wetenschappelijk medewerker geweest aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij macro-economie had gestudeerd en in 1965 was gepromoveerd op de economische gevolgen van ontwapening.
Vervolgens was Duisenberg naar de afdeling Europa van het Internationaal Monetair Fonds in Washington gegaan. Van 1969 tot 1970 had hij voor De Nederlandsche Bank gewerkt als stafadviseur. In 1970 verruilde hij de bank voor een hoogleraarschap macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was wel al jaren PvdA-lid.
Schaduwkabinet
D66-voorman Hans van Mierlo zou Duisenberg onder de aandacht van PvdA-leider Joop den Uyl hebben gebracht, toen die voor een links ‘schaduwkabinet’ van PvdA, D66 en PPR voorafgaand aan de verkiezingen van 1972 geen minister van Financiën kon vinden.
Zo werd de jonge hoogleraar na de verkiezingen (van de linkse partijen had alleen de PvdA ruim gewonnen) zelfs de échte minister in ‘het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit gehad heeft’. Het was een coalitie van de drie linkse partijen, met deelname van deels als ‘links’ beschouwde ARP- en KVP-ministers zoals Ruud Lubbers (KVP, de latere premier) op Economische Zaken en Jaap Boersma (ARP) op Sociale Zaken. Den Uyl werd premier, het kabinetsdoel was ‘spreiding van kennis, inkomen en macht’.
Krachtig
Duisenberg bleek al snel een krachtige minister, die bovendien een goede relatie opbouwde met Lubbers en andere KVP’ers. Aanvankelijk steunde Duisenberg het beleid dat door de linkse regeringspartijen was aangekondigd. Dat was gericht op een sterke groei van overheidsbemoeienis, uitkeringsniveaus en overheidsuitgaven - zij het onder handhaving van het structurele begrotingsbeleid dat Jelle Zijlstra als minister van Financiën begin jaren zestig had ingezet.
Er was volgens de Zijlstra-norm zelfs zonder lastenverhoging ruimte voor een expanderende overheid, omdat Nederland een flink betalingsbalansoverschot had. Het vorige kabinet had bovendien zuinig beheerd. De totale overheid - Rijk, provincies en gemeenten - had in 1973 een overschot van inkomsten boven uitgaven.
Dat wees naar het toen dominante economische inzicht op onderbesteding, er werd te weinig uitgegeven binnen Nederland. Dit leidde tot een spaaroverschot dat de overheid kon afromen door meer te lenen, want van belastingverhoging wilde zij niet weten. Hogere lasten zouden de toch al te hoge inflatie kunnen opdrijven. Het kabinet zette ook in op loonmatiging. In 1974 werd ter bestrijding van de onderbesteding de inkomstenbelasting verlaagd.
Oliecrisis
Eind 1973 brak de eerste oliecrisis uit. Voor Nederland had die onverwachte effecten: de overheid kreeg veel meer geld binnen zonder dat belastingverhoging nodig was, of meer hoefde te worden geleend.
Nederland was namelijk een belangrijke aardgasexporteur en de aardgasprijs was gekoppeld aan de olieprijs, die sinds de oliecrisis snel steeg. Een aanzienlijk deel van die meeropbrengst, miljarden guldens, viel toe aan de schatkist.
De overheidsuitgaven en de uitgaven voor de sociale zekerheid - de zogeheten collectieve uitgaven - stegen in de periode van het kabinet-Den Uyl van 45,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) tot 51,6 procent.
Intussen ging het niet goed met de Nederlandse economie, vooral in de tweede helft van de kabinetsperiode werd dat duidelijk.
Vraaguitval
Duisenberg en de rest van het kabinet gingen er aanvankelijk van uit dat de problemen werden veroorzaakt door vraaguitval: er was minder vraag in het eigen land naar goederen en diensten dan gewenst voor een goed draaiende economie.
De veronderstelde ‘trendmatige groei’ van de economie was door Duisenbergs voorganger Roelof Nelissen in de Miljoenennota 1973 wel naar beneden bijgesteld, maar lag toch altijd nog op 4,3 procent. Dat was iets hoger dan de ambtelijke adviseurs van het nieuwe kabinet bepleitten. Maar het kabinet hoopte door inflatiebestrijding en met meer overheidsuitgaven een hoger groeitempo te kunnen bewerkstelligen.
In 1975 bleek dat een illusie. De export daalde, het bbp nam niet langer toe. De werkloosheid, die het kabinet ondanks grote werkgelegenheidsprogramma’s niet had weten te verlagen, begon weer op te lopen.
Het Centraal Planbureau kwam met alarmerende nieuwe inzichten over wat er werkelijk in de economie gaande was, namelijk een ingrijpende herstructurering in het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven kon de lonen, die in de jaren zestig sterk waren gestegen en nog steeds met de inflatie opliepen, steeds moeilijker opbrengen.
Krediet
Intern pleitten ambtenaren van Financiën ervoor om de overheidsuitgaven in procenten van het bbp niet verder laten stijgen, maar dat achtte Duisenberg politiek onhaalbaar in het kabinet.
De minister had veel krediet bij zijn ambtelijke staf en was door zijn goede presentatie populair in het land, maar hij vond in het kabinet lang niet altijd de nodige steun van de minister-president. In financiële aangelegenheden was het vaak Duisenberg en Lubbers versus Den Uyl en Boersma.
Met moeite dwong Duisenberg de afspraak af dat het aandeel van de collectieve uitgaven in procenten van het bruto binnenlands product vanaf 1976 niet meer zou mogen stijgen dan met één procentpunt per jaar, de zogenoemde een-procentsnorm. Ook werd in samenspraak tussen Lubbers en Duisenberg de Wet op de investeringsrekening (WIR) ingevoerd, die bedrijven overheidspremies toekende als ze investeerden. De bedrijfsinvesteringen waren wegens de verslechterde economische situatie namelijk flink teruggelopen.
De een-procentsnorm is in de praktijk niet gehaald. Een meerderheid in het kabinet dwong af dat de invoering gefaseerd en deels na de lopende kabinetsperiode zou plaatshebben. Dankzij het economische herstel dat eind 1975 onverwacht inzette en dankzij de aardgasopbrengsten zijn in de periode-Duisenberg de overheidsschulden beheerst gebleven.
Van Nelissen erfde Duisenberg een staatsschuld van slechts 24 procent van het bbp, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog (in 1951, na vijf jaar Lieftinck, stond de quote nog op 112 procent). In 1977, Duisenbergs laatste jaar als minister, was de quote nauwelijks hoger: 25 procent. Het tekort van de totale overheid was dat jaar 0,8 procent.
Conflict
Het kabinet-Den Uyl viel door een conflict tussen de linkse ministers en die uit KVP en ARP.
De daaropvolgende verkiezingen werden opnieuw een groot succes voor de PvdA, maar de formatie van een nieuw kabinet-Den Uyl met de nieuwe christen-democratische fusiepartij CDA en D66 mislukte. Na een zeer kort en met tegenzin aanvaard Kamerlidmaatschap vertrok Duisenberg naar de Rabobank.
Op 1 januari 1982 volgde hij op diens voorstel Jelle Zijlstra op als president van De Nederlandsche Bank. In 1998 werd hij de eerste president van de nieuwe Europese Centrale Bank, die het monetaire beleid voor de euro maakt.
Op 1 november 2003 trad hij terug. Nog geen twee jaar later overleed hij onverwacht in zijn buitenhuis in Frankrijk.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement