maandag 7 november 2011 10:02
Minister van Financiën Frans Andriessen, links premier Dries van Agt
Mr. F.H.J.J. Andriessen (1929), minister van Financiën van 19 december 1977 tot 22 februari 1980. Lid van het CDA (tot 1980 KVP). Jurist.
Frans Andriessen was al jaren een prominent politicus toen hij in februari 1980 een dramatische stap zette. Hij nam als enige minister van Financiën na 1945 ontslag omdat hij zich niet kon verenigen met het beleid van het kabinet waarvan hij deel uitmaakte.
Dat kabinet was de CDA-VVD-coalitie onder leiding van Andriessens partijgenoot Dries van Agt en vicepremier Hans Wiegel (VVD), en het beleid in dat voorjaar behelsde in zijn ogen onvoldoende extra bezuinigingen.
Bestek ’81
Dat was een juist inzicht. Andriessen speelde een belangrijke rol bij het formuleren van Bestek ’81: de in juni 1978 ingediende bijstelling van het oorspronkelijke Regeerakkoord.
Bij het aantreden van het kabinet in december 1977 werd nog uitgegaan van het zogenoemde eenprocentsbeleid van Andriessens voorganger Wim Duisenberg. Dat wilde zeggen: jaarlijks mocht het aandeel van de collectieve uitgaven in procenten van het bruto binnenlands product beperkt stijgen tot één procentpunt.
De overheid zou dus ook onder dit als ‘rechts’ bestempelde kabinet nog elk jaar een groter deel van de nationale koek herverdelen.
Een bezuiniging van 4 miljard gulden (1,8 miljard euro) zou voldoende zijn om de gewenste beperkte stijging te bereiken. De uitgangspunten waren optimistisch, want centraal stond een verwachte economische groei van gemiddeld 3 procent per jaar.
Werkloosheid
Begin 1978, nog maar een paar maanden na zijn aantreden als minister, zag Andriessen in dat er meer zou moeten worden bezuinigd. Met Bestek ’81 wilde het kabinet-Van Agt-Wiegel de werkloosheid terugdringen en de economie en de overheidsfinanciën die dreigden te ontsporen, op orde brengen.
In 1978 sloeg het overschot op de lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans ondanks de sterk gestegen inkomsten uit aardgasexport om in een tekort. Dit kwam mede door een steeds uitbundiger stijging van de particuliere consumptie, die weer in verband kon worden gebracht met de grote loonstijgingen.
Ook liep de inflatie op. Nederland prijsde zich uit de wereldmarkt. Bovendien werd de internationale economische situatie steeds onzekerder. In 1979 zou opnieuw een oliecrisis uitbreken.
Ombuiging
Bestek ’81 voorzag in plaats van in een verdere stijging, in het stabiliseren van de collectieve lastendruk. Dat vergde naar werd aangenomen tot en met 1981 zodanige ingrepen dat de uitgaven niet zouden stijgen van 160 miljard naar 210 miljard gulden in 1981, maar slechts tot 200 miljard. Een ombuiging dus van 10 miljard gulden (4,5 miljard euro).
De grootste ingrepen - 6,5 miljard gulden, ofwel 2,9 miljard euro - zouden de sociale uitkeringen betreffen. Die waren in de voorgaande twintig jaar enorm in omvang toegenomen en omvatten inmiddels onder meer een makkelijk toegankelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, de WAO, ingevoerd door KVP-minister Gerard Veldkamp. Ook moesten de ambtenarensalarissen achterblijven bij de cao-lonen in het bedrijfsleven.
Noodremprocedure
In 1979 ging het alleen maar slechter met de economie. Dus kondigde Andriessen bovendien een ‘noodremprocedure’ aan voor het geval het financieringstekort van de totale overheid (het Rijk plus lagere overheden) hoger zou worden dan 6 procent van het bruto nationaal inkomen.
In mei van dat jaar wilde de minister nog eens 2,2 miljard gulden (990 miljoen euro) extra bezuinigen, en drong hij aan op een afgedwongen beperking van de cao-loonstijging. Onder anderen minister van Sociale Zaken Wil Albeda (CDA) voelde daar niet voor. Hij wilde ook minder bezuinigingen.
In januari 1980 kwam het tot een conflict in het kabinet. Volgens de latere minister van Financiën Gerrit Zalm (VVD), in die tijd ambtenaar op het ministerie, was de begroting voor 1980 ‘wat royaal uitgevallen’ en wilde Andriessen de ruimte die hij eerder had gelaten aan zijn collega’s alsnog terughalen.
Loonmatiging
Daar was reden toe. De groeiprognose voor 1980 was nu 0,1 procent, terwijl Bestek ’81 nog altijd van 3 procent per jaar was uitgegaan. Andriessen verlangde meer dan 3 miljard gulden (1,4 miljard euro) aan extra bezuinigingen. Dat zouden echte bezuinigingen moeten zijn, geen uitstel van uitgaven. En de lonen zouden alsnog moeten worden gematigd.
Volgens journalist José Toirkens, die in haar proefschrift Schijn en werkelijkheid van het bezuinigingsbeleid 1975-1986 de gang van zaken beschreef, dreigde de president van De Nederlandsche Bank en oud-minister van Financiën Jelle Zijlstra het begrotingstekort niet verder te financieren als het de ook al oplopende inflatie verder in de hand zou werken.
Compromis
Premier Van Agt stelde een compromis voor met 3 miljard aan bezuinigingen en een loonmaatregel als vakbonden en werkgevers niet vrijwillig de lonen zouden matigen. De tegenstanders Andriessen en Albeda wezen het compromis af.
Noch het CDA, noch de VVD steunde Andriessen. In het CDA vond Albeda steun bij de linkervleugel, de VVD wilde het kabinet overeind houden. Andriessen trok de consequentie en trad af. ‘Het ombuigings- en matigingsbeleid is meer schijn dan wezen,’ verklaarde hij.
Tekort
Volgens de nu gehanteerde berekeningswijze liep het tekort van de totale overheid, inclusief sociale zekerheidsfondsen, op van 0,8 procent in het laatste jaar van het kabinet-Den Uyl (1977) tot 3,9 procent in 1981.
In al die jaren was er achteraf sprake van economische groei, zij het dat de verwachte 3 procent nooit werd gehaald.
De groei in 1980 kwam nog uit op 1,3 procent. Maar in 1981 begon de krimp. Bovendien was het tekort van de rijksoverheid zelf al in 1980 uit de hand gaan lopen. Andriessens Miljoenennota 1980 ging in het najaar van 1979 uit van een rijkstekort van 5 procent van het bruto nationaal inkomen. Het eindcijfer lag boven de 7 procent.
Fractieleider
Frans Andriessen, geboren in Utrecht, was de zoon van KVP-Kamerlid Jan Andriessen. Hij bezocht een kostschool in Boxtel en studeerde rechten in Utrecht.
Vanaf 1954 was hij directeur van het Nederlands Christelijk Instituut voor Volkshuisvesting (NCIV), een van de ‘koepels’ van woningcorporaties die later zijn gefuseerd tot Aedes. In 1967 werd hij daarnaast Tweede Kamerlid voor de KVP, en woordvoerder woningbouw- en volkshuisvesting in de fractie. Al in 1970 was hij een van de fractiesecretarissen.
In 1971 volgde hij de wegens zijn gezondheid teruggetreden Gerard Veringa op als fractieleider. Kort daarna legde hij pas zijn functie bij het NCIV neer.
Hij was dus fractieleider in de jaren van het kabinet-Den Uyl, een periode waarin de KVP in de Kamer alleen optrad als gedoger - hoewel KVP-ministers deel uitmaakten van de regering.
Brussel
Bij de vorming van het CDA in 1980 werd niet Andriessen lijsttrekker, al was hij leider van de grootste partij die in het nieuwe politieke verband opging. Die rol viel toe aan de betrekkelijke outsider, minister van Justitie Dries van Agt.
In september 1980 werd Andriessen lid van de Eerste Kamer voor het CDA, maar al op 6 januari 1981 vertrok hij naar Brussel. Het kabinet had hem voorgedragen als het nieuwe Nederlandse lid van de Europese Commissie. Tot 1993 beheerde hij als Europees Commissaris diverse portefeuilles. Eerst Mededinging, daarna Landbouw, en ten slotte Externe Betrekkingen en Handelspolitiek.
Daarnaast was hij hoogleraar Europese integratie aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
Na zijn pensioen is Andriessen in Brussel blijven wonen.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement