vrijdag 25 mei 2012

Weblog Simon Rozendaal

Waarom gelovigen denken dat God een zoon had

zondag 8 april 2007 11:49


Rond het Paasweekeinde is het misschien aardig om de vraag op te werpen waarom zoveel mensen eigenlijk geloven dat God een zoon heeft.

Dat is immers vreemd. Het is voorstelbaar dat mensen in een Opperwezen geloven. De complexiteit van alles om ons heen en in onszelf is zo enorm dat het moeilijk voorstelbaar is dat dit alles spontaan uit het niets is ontstaan – iets wat verreweg de meeste wetenschapsmensen en ik ook menen.

Natuurlijk mogen veel gelovigen dit absurd vinden en er de voorkeur aan geven om te denken dat alles door een God is geschapen. Maar waarom zou zo’n God zich willen voortplanten?

Wij houden van laagbijdegrondse activiteiten als lekker eten, van dattum en iemand op de tennisbaan met een mooie backhand passeren, maar een Opperwezen? Waarom geloven dan toch zo veel verstandige, goed opgeleide en fatsoenlijke mensen dat God een zoon zou hebben gehad?

Pestilentie
Daar heeft de historicus William H. McNeill ooit een intrigerende verklaring voor gegeven. Tussen neus en lippen, we hebben het niet over een run off the mill historicus, de man heeft in 1996 uit handen van Prins Willem Alexander de Erasmusprijs voor zijn oeuvre gekregen.

Volgens McNeill heeft het christendom geprofiteerd van de vele epidemieën die het Romeinse rijk vlak na Christus teisterden. Livius heeft het in zijn geschiedschrijving alleen al over elf grote pestilenties. Volgens McNeill was de pest in die tijd net doorgedrongen naar het mediterrane gebied. De bevolking had geen weerstand en de sterfte was hoog.

Mede daarom kachelde het westelijk Romeinse rijk achteruit. Het christendom daarentegen profiteerde. McNeill: ‘Een van de voordelen bij de christenen, vergeleken bij hun heidense tijdgenoten, was dat ziekenverzorging, zelfs in tijden van pestilentie, een erkende religieuze plicht was.’

Dat had diverse voordelen. Niet iedereen gaat dood tijdens de pest en een klein beetje verzorging, wat water en voedsel, kan soms al helpen om doodzieke mensen te doen herstellen. De mensen die het redden, zullen niet zelden het gevoel hebben dat die zogenaamde zoon van God hen een handje heeft geholpen.

Ziekenzorg
McNeill: ‘De christelijke schrijvers waren zich zeer goed bewust van deze bron van kracht en sloegen zich soms op de borst wanneer zij beschreven hoe christenen elkaar hielpen in tijden van ziekte, terwijl de heidenen vluchtten voor de patiënten en hen harteloos aan hun lot overlieten.’

En mocht het fout gaan, dan was het onder het christendom toch ook raak. Veel zieken kwamen in de hemel, mits ze zich op hun sterfbed maar tot het nieuwe geloof hadden bekend. Cyprianus, de bisschip van Carthago, schreef in 251 na Christus: ‘Deze sterfte is een vloek voor de joden en de heidenen en de vijanden van Christus, maar voor de dienaren Gods is het een heilzaam heengaan.’

Zo is het dus gekomen. De bizarre gedachtenkronkel dat een Opperwezen zich net als u en ik zou willen voortplanten, heeft gewoon een lift gekregen van de microscopische parasieten die precies in die tijd een bezoekje brachten aan de landen rond de Middellandse zee en daar een bevolking zonder enige weerstand aantroffen.


advertentie







advertentie