donderdag 2 september 2010 10:12
Vroeger hadden we wel een trein maar geen iPod
Ik geloof niet zo in generatiedenken, dat vind ik beperkend, simplistisch en ook erg ouderwets. De een is bij zijn geboorte al een ouwe zak, de ander is met 84 fris en jeugdig. Mieke van Zijl, in de Volkskrant vandaag, gelooft er wel in. Zij is 24 en hoort bij een heel bijzondere generatie, en wel die van niks. Die hebben dus niks. Kunnen geeneens een huis kopen! Een fletse toekomst, maar let me tell you: je toekomst maak je zelf.
Nu ken ik Mieke van Zijl niet en haar jammerklacht maakt me ook niet erg nieuwsgierig. Vanaf de hoge leeftijd die ik inmiddels heb bereikt, kan ik haar zeggen: Mieke, kindje, het is altijd wat. Laat ik haar mentaal eens bij de hand nemen en terugvoeren in de tijd, een klein eindje maar. Ik weet dat het historisch besef bij de jeugd wat minder goed is ontwikkeld.
Geen tv
Mijn jonge jaren. Ik hoor bij die generatie die eens per week op woensdagmiddag een uur zwartwit televisie mocht en kon kijken. Verder was er namelijk nooit wat, behalve urenlange nieuwsberichten voorgelezen door een oude man genaamd Frits Thors. Bovendien moest je een tv hebben, anders loerde je zoals ik jarenlang over de heg van de buren. Nog bedankt, mevrouw Schouten!
Toen we twaalf werden, kregen we onze eerste fiets. Voor die tijd liepen we. Ook was dat het moment – want naar de Grote School – van het eerste horloge. Tijd is niet zo belangrijk als je nergens heen kunt. Behalve schoolwerk en de sportclub of andere nuttige vrijetijdsbesteding was er niet zoveel. Er waren geen winkels geschikt of bedoeld voor jongeren, zoals H&M of Zara. Voor het winter werd, kreeg je een paar flinke stappers met veters, en dan maar hopen dat je daar de hele winter mee zou doen. In de zomer kreeg je platte sandalen. Die droeg je ook als het regende, en dat was toen ook al vaak zo.
Winkelen
Twee keer per jaar nieuwe kleren: er was geen constante aanvoer zoals nu. Gaf niet, want niemand had geld. Je kreeg een dubbeltje zakgeld per week, als je ouders het niet vergaten. Verre reizen werden niet gemaakt, de wereld was klein. Een paar bofkonten gingen het land uit en de rest logeerde bij opa en oma of er werd een andere beklemmende logeerpartij geregeld. Er waren er genoeg die hun eerste vliegreis maakten toen ze tegen de dertig liepen.
Als je na school niet in dienst moest – ja, dat was nog eens wat – ging je werken of studeren. Lang, lang studeren, want begin jaren tachtig zat de arbeidsmarkt helemaal nergens op te wachten en zeker niet op afgestudeerde academici. Die bleven dus maar doorgaan. We wilden werken, niets liever dan dat. Maar wie bijvoorbeeld leraar wilde worden, solliciteerde samen met letterlijk honderden anderen. Sommigen van ons schoolden zich na die lange studie uit wanhoop om tot iets heel anders dan ze ooit hadden gedacht, en putten daar ook nog vreugde uit. Je wilt graag nuttig zijn, nietwaar.
Wonen
Intussen woonden we vaak op kamers, soms zelfs nog met een pinnige allesziende hospita. In mijn geval was dat een kamer van drie bij drie, zonder douche, keuken, badkamer, zonder telefoon of televisie. Mobiele telefoons waren er niet en computers namen een ruimte in beslag die groter was dan mijn kamer.
Je kon voor het nachtelijk vertier kiezen uit drie disco’s. niemand had meer dan wat biertjes in huis, de rest was te duur. Huizen of auto’s waren niet eens een onderwerp van gesprek en zouden dat niet zijn tot we allemaal diep in de dertig waren. Sommigen van ons trokken de wereld in, met langdurig zelfgespaard geld. Dat was toen nog, want nog steeds geen internet, een werkelijk avontuur.
Zelfbeklag
Voorzover wij een generatie waren, was een zonnige toekomst erg ver weg – het heden was ook al behoorlijk schraal. In 1976 wilde toenmalige minister van Justitie Van Agt, nu vriend van de Palestijnen, abortuskliniek Bloemenhove sluiten. Konden we weer aan de slag met de breinaald. En nee, het homohuwelijk bestond nog niet, maar de Aidsepidemie van de jaren tachtig wel.
Nog iets verder in de tijd terug? De jonge jaren van mijn ouders, die aan het einde van hun puberteit waren toen de oorlog uitbrak? Niet echt nodig denk ik. Al geloof ik niet in generatiedenken, er is toch iets wat eerdere generaties verbindt, en dat is hun ongelooflijke hekel aan gejammer en gezeur. Laten we maar niet stilstaan bij het zure feit dat eerdere generaties, die zich het nodige hebben ontzegd en veel hebben opgebouwd, kennelijk nazaten hebben voortgebracht die met afgunst naar anderen kijken en zich graag wentelen in zelfbeklag.
Correctie: De naam van de schrijver van het opinie-artikel in de Volkskrant is niet Mieke van Zijl, maar Mieke van Poll
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement