woensdag 19 januari 2005 15:06
'Mijn hersens staan nooit stil. Ik heb veel te veel ideeën. Dat maalt maar door. Ook ’s nachts. Ik word er doodmoe van.’
Dirk Tanghe (1956, Torhout) noemt zichzelf 'manisch associatief’. Een gesprek met de Vlaamse toneelregisseur loopt dan ook langs kronkelige wegen. Midden in een uiteenzetting verzinkt hij in gepeins, op een langdurige stilte laat hij een plotse uitbarsting volgen, daarbij puttend uit een rijk arsenaal van malle stemmetjes, sis- en plofgeluiden, gebaren en grimassen. Theatraal, zeker, maar zonder pose. Tanghes theatraliteit is volstrekt oprecht.
Tanghes voorstellingen ontstaan op even associatieve wijze. In de repetitieruimte van zijn gezelschap, het Utrechtse De Paardenkathedraal, vinden we daar de sporen van terug. Eén van de wanden hangt vol met uit mode- en andere glossy tijdschriften gescheurde portretten. Op sommige heeft Tanghe de naam van een specifiek personage geschreven. Die collage moet de 'sfeer’ van een voorstelling aangeven.
Zo begint een nieuwe voorstelling bij Tanghe altijd met 'lezen, bladeren en scheuren’. Daarna volgen lange, uitputtende repetities, waarbij de Vlaming de naam heeft veel van zijn acteurs te eisen. 'We gaan samen de diepte in. Mijn spelers houden van mij en ik houd van hen. Dat is een voorwaarde. We gelooooven in wat we maken. Acteurs die alleen op techniek spelen? Nee. Nooit. Never. Never! Ik wil, nee: ik eis emotie.’
Met deze intensieve werkwijze heeft Tanghe in twintig jaar tijd een enorme reputatie opgebouwd. Zijn voorstellingen worden geroemd om hun hartstochtelijkheid, frisheid en levendigheid. Ze hebben een imponerende beeldende kracht, zonder vast te lopen in esthetiek. Aan het begin van zijn loopbaan is hem dat verwijt van luchtige Schöngeisterei nog wel eens gemaakt, tegenwoordig zijn de mooie plaatjes en de intellectuele diepgang perfect in balans. Zelf zegt Tanghe: 'Ik wil boven alles een heldere vertelling. Met heldere emoties. Bam. Tjang. Oooh!’ Slaat zijn hand voor de mond. 'Het publiek moet meevoelen: “Ik haat jou.” “Ik hou van jou.” “Oh zoontje, doe dat niet.” Niet denken: “Wat zou hij daar mee bedoeld hebben?” Ik ben geen kunstkakker. Gewoon een theaterjongetje dat in een onnozel decortje een beetje emotionele conflicten teweeg aan het brengen is tussen een vader en een zoon en een dochter en een moeder. Ik wil ontroeren, zo simpel is het.’
Tanghe is een gepassioneerd theatermaker. Die passie is niet alleen voelbaar, maar ook zichtbaar voor wie een try-out van een Paardenkathedraal-voorstelling bezoekt. De regisseur zit dan op de eerste rij en gebaart, beweegt mee, springt af en toe overeind, roept aanwijzingen, als een voetbalcoach aan de zijlijn of een dirigent op de bok. Is die haast legendarische toneelpassie de afgelopen 25 jaar op hetzelfde peil gebleven? 'Het is alleen maar meer geworden. Meer! More! Jazeker. Ik ben gepassioneerd voor de vertelling. Voor de schoonheid van mensen. Theater moet trillen, leven, vibreren.’
Pluche
Dirk Tanghe is een leven lang ondergedompeld in het theater. Zijn vader en grootvader speelden al toneel, bij de plaatselijke amateurvereniging van Torhout. Kleine Dirk was er altijd bij, genoot van het pluche en het gevoel van mysterie. Zijn vroegste toneelherinnering stamt uit die tijd: 'Mijn vader speelde in Arsenicum en oude kant van zo’n Amerikaans schrijvertje. Er wordt iemand vermoord. Ik geloofde het allemaal. Na afloop mocht ik met papa op het toneel. Toen zag ik dat het lijk niet echt dood was, het decor van ribkarton en de whiskey slappe thee. Een snik. Wenen. Ontroering. Ik heb toen de leugen gezien. Maar ook voor het eerst de suggestieve kracht van theater ervaren. Op dat moment ben ik begonnen erin te geloven.’
Na zijn afstuderen aan de acteerafdeling van het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen gold hij al snel als de golden wonderboy van het Vlaamse theater. Zijn regies van onder andere De Getemde Feeks en Romeo en Julia waren even toegankelijk als vernieuwend – een ongebruikelijke combinatie in de toneelwereld.
Nu staat hij alweer acht jaar aan het roer van De Paardenkathedraal. Hij zou er vóór 2008 vertrekken, zei hij ooit in een interview. Daar komt hij nu op terug: 'Ik wil door. Ik ben heel trots op wat ik hier, in mijn eigen huis, heb bereikt. Geen 2008, maar 3016.’
Ooit werd hij ingedeeld bij 'de Vlaamse golf’ van regisseurs, maar daar wil hij niets meer van weten. Geagiteerd: 'Dat ben ik strontbeu! Dat gedoe of ik Vlaming ben of Nederlander. Neeneeneenee!’ (Springt half overeind.) 'Ik doe er niet meer aan mee! Ik heb spelers in wie ik geloof. Waar ze vandaan komen – je m’en fou! Ik ben het beu, ik ben het beu, ik ben het beu!’
Als hij weer wat is gekalmeerd, verklaart hij zich nader. Hij heeft een hekel aan reputaties, zegt hij. Het liefst zou hij elke keer vanaf nul beginnen. 'Toeschouwers zouden telkens moeten kijken als een kind. Een gordijntje dat opengaat. Een vertelling. Maar nee, ze denken: ha, een stuk van Dirk Tanghe. Dat wordt een feest. Omdat Midzomernachtsdroom een feest was. Maar dan zien ze mijn Theatermaker, en dat is helemaal niet zo feestelijk...’ (sist) 'Ik haat dat. Ik kan er niet tegen. Soms zegt iemand tegen me (zet een gek stemmetje op): “Oh, u bent Dirk Tanghe. U bent een begrip.” Dan zeg ik: “Ja maar, als ik een begrip ben, waarom begrijpt u mij dan niet?”’
Vogelschrik
Als we hem spreken, zit Tanghe halverwege de repetitieperiode van Thomas Bernhards De Theatermaker. Hij oogt vermoeid, zegt: 'Ik zie er uit als een vogelschrik.’ Met de repetities gaat het goed, maar: 'Het is een moeilijk stuk. Moeilijk. Moeilijk. Bovendien, als je ziet wat er gebeurt in de wereld. En dan zit ik hier een toneelstuk te maken. Wat een bullshit... pffff.’
In De Theatermaker maken we kennis met de in eigen ogen grote maar miskende acteur Bruscon, die in een danszaal in een klein dorp samen met vrouw, zoon en dochter het stuk Het rad der geschiedenis zal opvoeren. De Theatermaker is een quasi-monoloog in de beste Bernhard-traditie. Dus veel virtuoos gevloek en gekanker op het kleinburgerdom – het Oostenrijkse in het bijzonder – en lange tirades tegen van alles en nog wat: de kunst, de politiek, de mensheid.
De hoofdrol wordt vertolkt door een van de vaste Tanghe-acteurs, Thomas de Bres. Dat is een opvallende keuze, omdat De Bres pas 31 jaar oud is, terwijl Bruscon ouder lijkt. Bernhard noemt zijn leeftijd niet expliciet, maar Bruscon heeft twee kinderen die minimaal in de tienerleeftijd zijn, en hij klinkt, met al zijn gemopper, als een ouwe zuurpruim.
Tanghe: 'Thomas de Bres is een fantastische speler en een fantastisch mens. Hij speelt deze tekst vanuit zijn kloten, uit zijn ziel. Daardoor wordt het heel menselijk, levend, toegankelijk. Kijk, het gaat mij niet om typecasting. Ik speel ook weleens een heks voor mijn zoons. Gewoon zo: “hèhèhèhè...”.’ Hij lacht gemeen en draait met zijn ogen. 'Dat geloven zij. Als Bernhards woorden uit Thomas’ jonge ziel komen, dan gelóóf ik hem. Het gaat om die geloofwaardigheid. En of dat nu een oude theatermaker is, of een mecanicien, of een bakker, of een interviewer. Het is eerst en vooral... een mens. Een extreem mens. Megalomaan. Bezeten. En met die bezetenheid maakt hij iedereen kapot.’
Een toneelstuk over een toneelmaker biedt regisseurs de kans stelling te nemen door iets van zichzelf in de hoofdpersoon te stoppen. Ook Tanghes theatermaker zal 'autobiografische trekjes’ hebben. 'Ik herken veel in die man. En mijn vader was ook zo.’ Peinzend: 'Nee, hij was niet zo, maar toch was hij zo... Een bloedende hond die knarst en knort en toch hunkert naar een streling.’
Tanghe roemt de taal van Thomas Bernhard. 'De tekst spuwt zich voort. De theatermaker spuwt een tekst. Hij braakt. Wel mooi opgekuist natuurlijk, mooi gestileerd, maar het is braaksel. En dan opeens, de breekbaarheid.’ Hij knipt met zijn vingers. 'Dat hart is koud en kil,’ (knipt) 'en dan...’ (knipt weer) 'de warmte. Het is een knipstuk. Het is muziek. Een partituur. Jazz.’
Kader bij artikel:
DIRK TANGHE, VAN TORHOUT NAAR UTRECHT
Tanghe werd opgeleid als acteur aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. Zijn leermeesteres aldaar was de befaamde actrice Dora van der Groen. Als regisseur debuteerde hij bij het Torhoutse amateurgezelschap Sint-Rembert, waar ook zijn vader en grootvader speelden. Daarna maakte hij regies bij toneelgroep Malpertuis in Tielt, NTG-Gent en KVS Brussel. Sinds 1996 is Tanghe artistiek leider van het Utrechtse gezelschap De Paardenkathedraal. Hij woont doordeweeks in Utrecht en in de weekeinden in Gent, bij zijn vrouw en drie zoons (van 16, 14 en 12 jaar). In 2001 kreeg Tanghe de Prijs van de Kritiek voor zijn gehele oeuvre. Zijn zinderende, uitbundige enscenering van Midsummernightsdream kreeg in datzelfde jaar de NRC Publieksprijs. De Theatermaker gaat op 28 januari in de Utrechtse Stadsschouwburg in première. Tournee t/m mei. Info: 030-2711414.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement