woensdag 22 februari 2006 15:29
Een literatuurgeschiedenis is van grote invloed op de literaire canon. Daarom is de verschijning van een nieuw exemplaar een belangrijke gebeurtenis. Groepjes domineren het beeld dat literatuurhoogleraar Hugo Brems schetst. Hij laat zien hoe steeds dezelfde dilemma’s de literaire meute de laatste zestig jaar uiteendreven.
Stel, u vindt de boeken van Thomas Rosenboom niet om door te komen, maar u smult van Renate Dorrestein. Misschien ziet u in Arnon Grunberg een groot schrijver, terwijl u Harry Mulisch verafschuwt. En dat nieuwe boek van Tommy Wieringa vindt u zwaar overschat. U bent, met andere woorden, een onafhankelijk lezer met een geheel eigen, onbevooroordeelde literaire smaak.
U vergist zich. Volmaakte onbevangenheid bestaat niet. Literaire voorkeuren worden nooit 'zomaar’ geboren. U bent, of u het nu wilt of niet, altijd beïnvloed door 'de canon’, de lijst van erkende literaire meesterwerken. Die lijst met meesterwerken vormt een ijkpunt, waartegen u zich, bewust of onbewust, wilt afzetten – of juist niet.
Hoe komt die canon tot stand? Soms worden er pogingen gedaan canonvorming te sturen door comités of werkgroepjes van knappe koppen bij elkaar te zetten, zoals nog onlangs de door onderwijsminister Maria van der Hoeven (CDA) ingestelde commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon.
Een tot mislukken gedoemde operatie. Want zo werkt de canonvorming eenvoudig niet. De literaire canon is geen kunstmatig beredeneerd, maar een organisch corpus van boeken en oeuvres, dat almaar uitdijt en weer inkrimpt. Op dat proces van uitdijen en inkrimpen is een aantal factoren van invloed.
Gek genoeg is de rol van lezers daarin zo ongeveer het onbeduidendst. Als een boek goed scoort op de bestsellerlijsten, draagt dat niet per se bij tot zijn canonieke status. Integendeel: er zijn heel wat werken die tot de canon behoren, terwijl ze een reputatie –hebben ongelezen op de plank stof te verzamelen (zoals het werk van Simon Vestdijk of Anna Blaman). Andersom gelden veel kaskrakers nadrukkelijk niet als standaardwerk: zie de romans van Jan de Hartog en, recenter, Heleen van Royen, of het verzameld dichtwerk van Toon Hermans en Nel Benschop.
De literaire canon wordt niet bepaald door lezers, maar door het samenspel van subsidiegevers, uitgevers, critici, onderwijzers en literatuurwetenschappers. Door een auteur veel subsidie te geven, verleent het Fonds voor de Letteren hem of haar canonieke status. Uitgevers besluiten bepaalde werken in druk te houden of in de ramsj te doen. Vooral werken die in prestigieuze reeksen worden opgenomen, zoals de Gouden Reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep of de Deltareeks van samenwerkende uitgevers, maken grote kans tot het literair walhalla te worden toegelaten.
Literaire critici hebben invloed op de canonvorming door massaal een bepaald boek tot meesterwerk uit te roepen, zoals vorig jaar gebeurde met Jan Siebelinks Knielen op een bed violen. In het onderwijs wordt de basis gelegd van de literaire canon, door aan de ene auteur wel, en aan de andere geen lesuren te besteden.
Literatuurhistorie
Over neerlandici is in het verleden nogal eens smalend gedaan, onder anderen door Maarten ’t Hart en Karel van het Reve. Toch is de invloed van de wetenschap op de canon niet uit te vlakken, vooral waar het literatuurhistorici betreft. Immers, de geschiedenis van de literatuur is in feite niets anders dan een grote berg boeken, en het is aan de literatuurhistoricus in die verzameling enige lijn aan te brengen, een ordening. De literatuurhistoricus vertelt het verhaal van de literatuur.
Het is juist om die reden dat de komst van een nieuwe literatuurgeschiedenis een belangrijke gebeurtenis is. Want daarmee wordt het verhaal van de literatuur opnieuw verteld en dat brengt onvermijdelijk verschuivingen in de canon met zich mee. Elke nieuwe literatuurgeschiedenis kent winnaars en verliezers. In zijn beruchte, vierdelige Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde had aartskatholiek Gerard Knuvelder een onevenredig grote belangstelling voor katholieke schrijvers. Ton Anbeek liet in zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 de Vlamingen goeddeels weg, omdat de Vlaamse en Nederlandse letteren in zijn ogen twee totaal verschillende grootheden waren.
Op dat punt, en op andere punten, legt de Vlaamse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Hugo Brems in zijn deze week gepresenteerde Altijd weer vogels die nesten beginnen (Bert Bakker) de accenten heel anders (zie 'In’ en 'Uit’ op deze pagina). Vlamingen vormen hierin juist een voornaam bestanddeel. Auteurs als Ivo Michiels, Monika van Paemel, Luuk Gruwez en Paul de Wispelaere krijgen vele bladzijden toebedeeld. Terwijl Nederlandse schrijvers als Jan Arends en Renate Dorrestein zo ongeveer uit de literatuur worden 'weggeschreven’.
Brems’ boek vormt het slotdeel van een zeer ambitieus, achtdelig project, waarin de geschiedenis van de Nederlandse literatuur nog eens wordt verteld, vanaf het vroegste begin tot nu. Gelijktijdig verscheen het eerste deel: Stemmen op schrift van universiteitshoogleraar en mediëvist Frits van Oostrom. Zo zullen de komende jaren kriskras de verschillende delen blijven verschijnen, waarna in 2010 een afsluitend deel Uitleiding en verantwoording wordt gepresenteerd, inclusief cumulatief register.
Dit project, ontstaan op initiatief van de Nederlandse Taalunie, is de eerste literatuurgeschiedenis sinds Knuvelder die weer het hele verhaal van de Nederlandse en Vlaamse letteren probeert te vertellen (zie 'Eenmanszaak’ op pagina 88). In de tussentijd verschenen wel deelstudies of geschiedenissen van een enkel genre. En ook zag het boek Nederlandse literatuur, Een geschiedenis het licht – een verzameling van 150 korte stukjes van de hand van 107 verschillende auteurs, opgehangen aan 150 belangrijke momenten uit de literatuurgeschiedenis. Dat boek weerspiegelde de opvatting die aan het eind van de twintigste eeuw onder historici heerste, dat er geen samenhangend verhaal meer te vertellen viel, omdat de werkelijkheid daar te complex en veelkantig voor was geworden. Nu, aan het begin van een nieuwe eeuw, is er blijkbaar een hernieuwd vertrouwen in het verhaal van de literatuur.
Dat is natuurlijk een verzonnen verhaal, een fictie, maar eenmaal opgeschreven in een literatuurgeschiedenis geldt die fictie meestal als enige werkelijkheid, zeker voor scholieren. Zo is het idee van schrijversgeneraties – de Forum-generatie, de Vijftigers, de Barbarber-generatie – bijna altijd een pure denkconstructie. Toch zijn scholieren en studenten doordrenkt van dit concept van op elkaar botsende schrijverscongsies, zelfs als de vermeende leden ervan zelf om het hardst roepen dat zij nooit deel hebben uitgemaakt van een groep.
Ook bij Brems is deze groepsdynamiek de drijvende kracht achter allerlei literaire ontwikkelingen. Neem de opkomst in de jaren zeventig van het columnistendom en realistische, 'leesbare teksten’ van mensen als Hans Plomp, Bob den Uyl en Heere Heeresma.
Als reactie daarop kwam een groep rond literair tijdschrift De Revisor, bestaande uit Doeschka Meijsing, Frans Kellendonk, Nicolaas Matsier en Dirk Ayelt Kooiman, met doorwrocht, verliteratuurd proza. Brems signaleert dat eigenlijk alleen Kooiman zich echt als vertegenwoordiger van de Revisor-groep beschouwde. Toch hanteert Brems datzelfde groepjesschema met evenveel verve.
Zo’n tien jaar later gebeurt hetzelfde met de 'Maximalen’, de dichtersgroep rond Joost Zwagerman, Arthur Lava, Pieter Boskma en anderen. Deze dichters vonden, zo schrijft Brems, de Revisor- en Raster-literatuur bloedeloos en saai. De Maximalen wilden het leven van de straat terugbrengen in de poëzie. Dat klinkt natuurlijk allemaal mooi, maar in werkelijkheid heeft deze groep slechts één enkele keer als zodanig opgetreden, bij de presentatie van de bundel Maximaal in de Amsterdamse Roxy in 1988.
Hugo Brems weet dat en verzuimt niet het te vermelden. Hij is zich steeds volop bewust van het vertekenende werk van de geschiedschrijver en geeft daar ook rekenschap van. Dat is de kracht van deze literatuurgeschiedenis. Niettemin: het denken in actie en reactie, in oorzaak en gevolg domineert. Brems zoekt naar verklaringen, ook als er misschien niet altijd iets te verklaren valt.
Een andere vraag waar de literatuurgeschiedschrijver zich voor gesteld ziet, is simpelweg: wat is literatuur? Wat valt er, met andere woorden, binnen het onderzoeksgebied en wat valt erbuiten? Brems is hier niet kinderachtig. Hij schetst verbanden met het hele culturele 'veld’. Ook ontwikkelingen op het gebied van media, uitgeverij, politiek en maatschappij komen aan bod. Mede daardoor is Altijd weer vogels die nesten beginnen een heel leesbaar boek, dat niet alleen de pure literatuurliefhebbers zal interesseren.
Tijdsvak
Ten slotte worstelen literatuurhistorici vaak met het probleem van de periodisering. Hoe moet je een periode afbakenen? Wat is het begin van een bepaald verschijnsel, wanneer loopt het op z’n eind? Ook hier doet elke constructie afbreuk aan de werkelijkheid, en dus heeft Brems het verstandige besluit genomen heel arbitraire tijdsvakken te definiëren van telkens tien jaar, waarbinnen hij de gebeurtenissen als een kroniekschrijver navertelt.
Centraal daarin stelt hij het spanningsveld tussen ethiek en esthetiek: de vraag of je je als schrijver mag terugtrekken in je ivoren toren om mooie boeken te maken, of dat je de plicht hebt je te engageren. Het is onthullend te zien hoe ditzelfde dilemma in telkens nieuwe gedaanten de literaire meute steeds weer uiteen zal weten te drijven.
Anders dan sommige voorgangers, heeft Brems gepoogd zo objectief mogelijk verslag te doen. Zijn eigen literaire voorkeuren komen nergens expliciet naar voren. Toch schemert zijn smaak wel tussen de regels door, bijvoorbeeld in zijn veronachtzaming van 'lichte’ literatuurverschijnselen als Ronald Giphart en Kees van Beijnum.
Zo zou Brems de canon toch danig kunnen beïnvloeden. Hij herstelt de Vlamingen in ere, neemt definitief afscheid van het autobiografisme. Tot over vijftig jaar, als een nieuwe literatuurgeschiedschrijver hetzelfde verhaal weer heel anders vertelt.
Kaders bij artikel:
IN - WIE SCOREN GOED?
Louis Paul Boon, was dat niet die ouwe billenknijper? Brems poetst Boons reputatie flink op. Zo is Boon de enige schrijver die een heel eigen hoofdstuk krijgt. Dat is een statement.
Hoewel een van de populairste dichters van Nederland, kon M. Vasalis bij critici weinig goed doen. Piet Gerbrandy vond haar postume bundel 'zwak’. Brems eert Vasalis nu als 'interessant’ dichteres.
Het 'andere proza’ van experimentalist Sybren Polet is ook wel 'nieuwe wartaal’ genoemd. Zoniet bij Brems, die Polet en zijn mede-avant-gardisten een voorname rol toebedeelt.
Ooit waren de Vijftigers halfgoden van de poëzie. In de jaren tachtig kwam de sleet erin. Komrij vond ze 'een incident’ en weerde ze uit zijn bloemlezing. Nu komen Lucebert, Schierbeek en anderen sterk terug.
Ivo Michiels is een van de vele Vlamingen die in de literatuurgeschiedenis van Hugo Brems een opkontje krijgen. Idem: Dirk van Bastelaere, Leo Pleysier, Herman de Coninck, Stefan Hertmans.
In de literatuurgeschiedenis van Ton Anbeek werd Jeroen Brouwers min of meer weggemoffeld. In Brems’ versie keert Brouwers terug als een invloedrijk polemicus en schrijver.
UIT - WIE SCOREN SLECHT?
Tijdens zijn leven was Simon Carmiggelt de populairste columnist van Nederland. Maar Brems heeft het niet zo op columnisten. In zijn geschiedenis is een marginale plek ingeruimd voor Carmiggelt.
Hoewel hij tot hoge leeftijd dichterlijk actief bleef en nog vele onderscheidingen kreeg, speelt A. Roland Holst in de geschiedenis van Brems een minimale rol: die van 'monument uit een vervlogen tijd’.
Renate Dorrestein is een van de meest gelezen schrijvers van Nederland. Toch lijkt Brems haar totaal onbelangrijk te vinden. Hij heeft over de inhoud van haar werk niets, maar dan ook niets, op te merken.
Van de jongere auteurs is Arnon Grunberg de afgelopen jaren betiteld en geknuffeld als het grootste literaire talent in jaren. Door Brems wordt hij afgeserveerd als lid van de verloren Generatie Nix.
De roman Keefman van Jan Arends behoort voor veel literatuurliefhebbers tot de canon. In zijn nieuwe literatuurgeschiedenis laat Brems het bij één enkele opmerking over Arends’ Nagelaten gedichten.
Met de puur autobiografische roman, die 'eenzijdig gericht is op herkenning’, heeft Hugo Brems niet veel affiniteit. Over het werk van bestsellerauteur Connie Palmen is hij dan ook kort: 'een hype’.
EENMANSZAAK
Literaire geschiedschrijving: van de panoramische blik tot de versplinterde variant
In de negentiende en begin twintigste eeuw was de literatuurgeschiedschrijving nog een eenmanszaak. W.J.A. Jonckbloet laat zijn zesdelige Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1888-1892) al beginnen bij vroeg-Germaanse strijdgezangen (geciteerd bij Tacitus). Ook G. Kalff (zeven delen, 1906-1912) en J. te Winkel (zeven delen, 1922-1927) durfden het in hun eentje. G. Knuvelder was de laatste die een panoramische blik op de literatuur wierp. Zijn taaie Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (vier delen, 1948-1953) heeft menig student neerlandistiek hartkloppingen bezorgd. Fameuze letterkundigen als Garmt Stuiveling en Ton Anbeek behandelden vervolgens deelperioden, respectievelijk het tijdvak 1830-1920 en het tijdvak 1885-1985. In 1993 verscheen Nederlandse literatuur, een geschiedenis, dat een 'postmoderne’, versplinterde variant van de literatuurhistorie vertelt. Hierin behandelden 107 auteurs 150 belangrijke momenten uit de literatuurgeschiedenis. Ook het studieboek Twee eeuwen literatuur (1986), over de negentiende en twintigste eeuw, was geschreven door een legertje neerlandici. Hier was het uitgangspunt dat alleen gekeken werd naar auteurs die zich in poëticale zin over literatuur hadden uitgelaten. Met soms merkwaardige gevolgen: van Jan Wolkers werd bijvoorbeeld slechts in één enkel bijzinnetje gerept.
DE GROTE KANONNEN EN DE SUBTOP
Aan de vaste waarden wordt ook in deze nieuwe literatuurgeschiedenis niet getornd. Naar de grote kanonnen Gerard Reve, W.F. Hermans, Harry Mulisch en Hugo Claus wordt verreweg het vaakst verwezen in het register. Opvallend is het grote aantal 'hits’ van Vijftiger Gerrit Kouwenaar. Vlak daarachter komt Louis Paul Boon, samen met twee andere 'Vijftiger’-dichters: Simon Vinkenoog en Lucebert.De subtop bestaat uit Bernlef, Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij en, jawel, Sybren Polet. Ook naar de Vlamingen Paul de Wispelaere en Daniël Robberechts wordt vaak verwezen, evenals naar de 'woordvoerder van de Vijftigers’ Paul Rodenko. Opzien baren de vele verwijzingen naar de Vlaming Paul van Ostaijen (1896-1928), die immers buiten de besproken periode valt.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement