woensdag 23 januari 2008 14:44
Eerst waren het de bouwvakkers en de kapsters, nu kiezen ook hoogopgeleiden voor de lusten van het ondernemerschap. Honderdduizenden Nederlanders zijn zelfstandige zonder personeel. Hun aantal groeit rap.
Vraag een kind wat het wil worden als het later groot is en de kans is klein dat het ‘zzp’er’ antwoordt. Toch zal menig peuter van nu straks een zelfstandige zonder personeel (zzp) zijn. Althans, als de huidige ontwikkeling op de arbeidsmarkt doorzet.
Het begon in de jaren negentig met bouwvakkers die hun baas vaarwel zeiden en hun diensten aan opdrachtgevers gingen verlenen, en met kappers die voor zichzelf begonnen en stoelen gingen huren in kapsalons. Inmiddels dringt de zzp’er door in de bovenkant van de arbeidsmarkt. Steeds vaker kiezen consultants, interim-managers en ict-specialisten ervoor om voor eigen roem en risico te werken. Ze hebben lak aan het arbeidscontract, geen behoefte aan ontslagbescherming en regelen hun pensioen liever zelf – of niet natuurlijk, maar ook daar kiezen ze zelf voor.
Record
Een op de acht Nederlanders is eigen baas, en dat aantal neemt rap toe. Nederland telde in 2006 bijna 900.000 zelfstandige ondernemers op een totale beroepsbevolking van zo’n 7,5 miljoen mensen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat zijn niet allemaal zzp’ers, maar ook ondernemers mét personeel. Het gaat om kleine en grotere bedrijven, om sukkelaars en snelle groeiers. Dit jaar komen er naar schatting zo’n 90.000 bij. Als dat groeitempo aanhoudt, dan wordt volgend jaar de grens van één miljoen ondernemers overschreden.
Wat betekent deze trend voor de Nederlandse economie? Zijn die nieuwelingen echte ondernemers, ofwel snel groeiende, innovatieve bedrijven die banenmotor en productiviteitsmachine worden? Of betreft de aanwas van nieuwelingen vooral zelfstandigen zonder personeel (en veelal zonder kapitaal) die helemaal niet van plan zijn om hun activiteiten uit te laten groeien tot een groter bedrijf?
Dat er iets aan de hand is, is duidelijk. Want 90.000 mensen die voor zichzelf beginnen, dat is een record. Het zijn er meer dan in 2001, toen de laatste piek werd bereikt in een periode van hoogconjunctuur. Nederland beleeft topjaren voor startende bedrijven, stelt het EIM, het instituut dat onderzoek doet naar en voor het Nederlandse en Europese bedrijfsleven. Het aantal ondernemers groeit beduidend sneller dan de beroepsbevolking. In 2005, het jaar waarop de meest recente cijfers van het EIM betrekking hebben, was van alle ondernemingen een op de tien nieuw (zie ‘Veel nieuwelingen’ op pagina 50). Voor het eerst sinds jaren scoorde Nederland daarmee hoger dan het Europees gemiddelde.
Zijn we plots weer een ondernemende natie? Nou nee. Van een nieuwe VOC-mentaliteit is geen sprake. Mirjam van Praag, hoogleraar ondernemerschap aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Ik zie vooral dat eindelijk het besef doordringt dat er hier iets mis is met het ondernemerschap.’
Nederland was de afgelopen decennia niet erg ondernemend, en dat is het nog steeds niet, blijkt ook uit een studie die het EIM begin juli publiceerde. Daarin wordt de bedrijvigheid in Nederland vergeleken met die in andere landen. Nederland staat met zijn score van 12 procent ondernemers (zie ‘Steeds meer eigen bazen’ op pagina 52) weliswaar op de tweede plek op de ranglijst, maar dat zegt op zich niet zo veel. Italië voert die ranglijst aan – niet bepaald een snel groeiend, innoverend en ondernemend land. Dat is veelzeggend. Als het om ‘snelle groeiers’ gaat blijft Nederland ver achter bij andere westerse landen (zie ‘Weinig snelle groeiers’ op pagina 54).
Een groot aantal zelfstandigen betekent nog niet een ondernemende cultuur. Het maakt nogal wat uit of nieuwelingen de markt opkomen met de ambitie de volgende TomTom te worden, of dat ze het doen om meer ruimte en vrijheid te krijgen om hun werk te doen op een manier die ze zelf kiezen. Anders gezegd: het verschilt sterk of de nadruk op ondernemen ligt of op zelfstandig zijn.
Kees de Kruiff, oprichter van ZZP OKÉ, een bedrijf dat zzp’ers adviseert en faciliteert, vindt zijn klanten zeer ondernemend. ‘Ze ruilen de zekerheid van de loondienst in voor de onzekerheid van een freelance-bestaan. Zeker als je kostwinner bent, is dat een grote stap die lef toont.’
Smeerolie
Mei Li Vos richtte twee jaar geleden het AVV (Alternatief Voor Vakbond) op, de eerste vakbond voor freelancers en zzp’ers. Na de laatste verkiezingen verliet ze het AVV om plaats te nemen in de Tweede Kamer namens de PvdA. Vanuit de Kamer probeert ze de positie van zzp’ers te verbeteren. Of ze ondernemend zijn of niet, ze zijn in elk geval enorm belangrijk voor de economie, meent Vos. ‘Ze reageren sneller dan veel bedrijven en springen in allerlei gaten in de markt. Ze zijn de smeerolie van de economie.’
Maar het begrip ‘zelfstandige zonder per-soneel’ geeft het al aan: dit zijn niet de mensen die een Philips of ING van de toekomst op poten zetten. De eerdergenoemde studie van het EIM laat dat zien. Het merendeel van de beginnende ondernemers droomt er niet van om groot te worden. Sterker: liefst 55 procent wil helemaal geen personeel in dienst nemen, slechts 14 procent zegt te streven naar een zo groot mogelijk bedrijf. De rest wil hooguit een paar man personeel. Dat is zonde. Want juist de snelle groeiers zijn zo goed voor de economie. Ze creëren banen en zijn vaak innovatiever. De kans dat een bedrijf nieuwe diensten, producten of processen introduceert, is groter als het rap groeit.
Al die nieuwe eenpitters brengen dus nog geen elan. Wie zijn ze? Deels zijn het ‘ouderwetse’ freelancers, deels zijn het mensen met een serieuze omzet en een BV van waaruit ze hun kennis en kunde verkopen. Al te ondernemend mogen ze dan niet zijn, hun aantal maakt wel dat ze ertoe doen. Zo is de groei van de arbeidsparticipatie vooral te danken aan zzp’ers en mensen met flexibele contracten, stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een recent rapport over de arbeidsmarkt.
Hoeveel zzp’ers er zijn, is moeilijk te schatten. De FNV, die vorig jaar in navolging van het AVV een vakbond voor zelfstandigen oprichtte, gaat ervan uit dat ruim de helft van alle zelfstandige ondernemers eenpitters zijn – bijna 500.000 mensen dus.
EIM-onderzoeker Paul Vroonhof komt lager uit. ‘Als je een heel strikte definitie hanteert, waarbij je alleen mensen meetelt die hun eigen arbeid verkopen, dan kom je eerder in de buurt van 300.000.’ In die definitie tellen boeren niet mee, loonwerkers wel. Aannemers niet, de zelfstandige bouwvakkers die via hen aan de slag gaan, wel.
Professional
Was de zelfstandige zonder personeel vroeger een loser, iemand van je wie wist of dacht dat hij er door zijn baas was uitgegooid, tegenwoordig is hij ‘een zelfbewuste professional’, zegt De Kruiff. ‘Het zijn witteboordenprofessionals, mensen die doorhebben dat ze minstens 50 procent meer kunnen verdienen als ze de rekening zelf versturen.’
De gemiddelde leeftijd van de zzp’er is 37 jaar. Hij of zij wil, blijkt uit ander EIM-onderzoek, zelf beslissen over de manier waar–op hij of zij werkt – vaak in de overtuiging dat hij of zij dan meer kwaliteit kan leveren. Verder speelt geld een belangrijke rol: controllers, projectmanagers en andere hooggekwalificeerde werkers verdienen meer als ze voor zichzelf aan de slag gaan. Een andere groep wil zelfstandig en vooral flexibel zijn, om werk met kinderen of andere zorgtaken te kunnen combineren.
De tijd is ernaar. Met dank aan de hoogconjunctuur en de krapte op de arbeidsmarkt zitten zulke zzp’ers niet om werk verlegen. Dankzij de vergrijzing ziet het ernaar uit dat de krapte nog wel even aanhoudt. Ze kunnen overal aan de slag. Grote ondernemingen huren hen in, omdat ze zich willen concentreren op hun kerntaken, de kleinere doen dat, omdat ze door de hoge kosten in geval van ziekte of ontslag liefst zo min mogelijk mensen in dienst nemen.
Zo bezien is het starre ontslagrecht een zegen voor de zzp’er. Toch moet dat ontslagrecht wat Vos betreft op de helling. Juist dat weerhoudt deze zelfstandigen ervan echt te gaan ondernemen en mensen aan te nemen. ‘Je zou willen dat meer zzp’ers uitgroeien tot echte bedrijven. Maar ze durven geen mensen aan te nemen,’ zegt Vos.
Het kabinet wil het ontslagrecht wel moderniseren. Zo komt er een wettelijke maximale ontslagvergoeding voor personeel, en moeten bedrijven meer doen aan scholing. Maar wat Vos betreft helpen deze plannen het midden- en kleinbedrijf, laat staan de zzp’er, onvoldoende. Het midden- en kleinbedrijf heeft eerder last van de scholingsverplichtingen. ‘Wat mij betreft moet het ontslagrecht worden gedifferentieerd voor grote en kleine bedrijven.’ Zij voegt daarmee nog een extra kritiekpunt toe aan het standpunt van de PvdA-fractie, die sowieso al kritisch is over de kabinetsplannen.
Zo bezien is het huidige ontslagrecht dus eerder een obstakel. Net als Vos is Mirjam van Praag ervan overtuigd dat veel zzp’ers wel degelijk ondernemend zijn, maar dat zij daarin worden gehinderd.
Wetsvoorstel
Met de groei van het aantal ondernemers nam ook de waardering voor ondernemerschap bij politici toe. Het was bij de laatste Tweede Ka–merverkiezingen bij nagenoeg elke partij een thema. Zelfs de Socialistische Partij erkent inmiddels dat het belangrijk is. Het kabinet-Balkenende IV heeft een pakket aan maatregelen klaarliggen. Zo wordt het makkelijker een bv op te richten en komen er zogeheten innovatievouchers, een vorm van sub–sidie, voor het midden- en kleinbedrijf. Ook zijn er plannen om het urencriterium te versoepelen dat de fiscus hanteert om te bepalen of iemand zelfstandig ondernemer is (zie ‘Tien tips: hoe begint u voor uzelf?’ op pagina 52). Vorig jaar nam de Tweede Kamer een motie aan die regelt dat vrouwen die voor zichzelf werken, een tegemoetkoming krijgen als ze zwanger zijn en een tijdje moeten stoppen.
Er ligt ook een wetsvoorstel klaar waarmee het nog makkelijker moet worden voor mensen om uit de sociale zekerheid te stappen en voor zichzelf te beginnen. Dat is vooral gericht op de markt voor persoonlijke dienstverlening. Werksters, kinderoppassers en klusjesmannen moeten met hun bazen makkelijk afspraken kunnen maken, zonder dat ze bang hoeven te zijn dat de Belastingdienst hen als gewoon werknemer en werkgever behandelt.
Loonslaaf
Als bouwvakkers, financieel deskundigen en marketingadviseurs voor zichzelf kunnen beginnen, wat weerhoudt vertegenwoordigers maar ook productiemedewerkers en zelfs kassahulpen er dan nog van om eigen baas te worden? Ofwel: zien we de komende jaren de laatste loonslaaf van het toneel verdwijnen? Of blijft er behoefte aan vaste arbeidscontracten?
Het antwoord op de laatste vraag luidt: ja. Menig Nederlander koestert zijn arbeidscontract. Echter: die vaste contracten en de bijbehorende bescherming van het stelsel van sociale zekerheid worden vooral geambieerd door mensen op wie werkgevers steeds minder zitten te wachten. Want terwijl bedrijven schreeuwen om hoopopgeleide krachten, zoeken juist lageropgeleiden de bescherming van een vast contract. Volgens cijfers van de Raad voor Werk en Inkomen zal in 2015 zo’n 40 tot 45 procent van de beroepsbevolking laagopgeleid zijn. De vraag naar lageropgeleiden uit het bedrijfsleven schiet dan met naar schatting zo’n 15 procent fors tekort.
De arbeidsmarkt, kortom, is straks in drieën gedeeld. Aan de bovenkant verkopen professionals hun kennis en vaardigheden vrijwillig en tegen gunstige voorwaarden. Het inkomen dat ze hebben, is hoog genoeg om de nodige (pensioen)verzekeringen af te sluiten. Dat geldt niet voor de persoonlijke dienstverleners aan de onderkant. De gewitte werkster, oppas of klusjesman, werkt zonder bescherming tegen een laag tarief en valt terug in de bijstand als er iets mis gaat. Daartussenin probeert een grote groep te laag opgeleide werknemers wanhopig een contract te krijgen, terwijl werkgevers schreeu–wen om beter opgeleide mensen. Die werkgevers zoeken geen loonslaven, maar productieve krachten die ze in de krappe arbeidsmarkt van de komende jaren maar wat graag willen pamperen. Al is het maar om te voorkomen dat ze voor zichzelf beginnen.
Tien tips: hoe begint u voor uzelf?
1. Schreeuwend de kamer van de baas uitlopen met de mededeling ‘ik neem ontslag’, is niet bepaald de ideale voorbereiding voor een zzp’er of freelancer. Maar dat gebeurt ook zelden, zo blijkt uit onderzoek van het EIM. Handiger is het om eerst te zorgen voor een opdracht, en dan pas de baan op te zeggen.
2. Een van de belangrijkste voorbereidingen die freelancers moeten treffen, is het aanvragen van een Verklaring arbeidsrelatie (VAR) bij de Belastingdienst. Die verklaring stelt dat iemand zelfstandig is, en dat opdrachtgevers dus geen sociale premies hoeven af te dragen. Het aanvragen van zo’n verklaring kan zo’n twee maanden duren, en veel opdrachtgevers betalen niet zolang ze de verklaring niet hebben.
3. Een goed voorbereide freelancer maakt afspraken met zijn partner over de risico’s die hij neemt: kan en is die partner bereid financieel bij te springen als het een tijdje tegenzit? En wat gebeurt er als het werk even opdroogt en de nieuwbakken zzp’er een tijdje thuis op de bank zit?
4. Sommige opdrachtgevers werken nog niet met zzp’ers en freelancers, maar wel met tijdelijke arbeidscontracten of met payroll-bedrijven. Zo’n bedrijf wikkelt de administratieve rompslomp af van mensen die tijdelijk voor het bedrijf werken. Echter: de facto zijn deze mensen gewoon werknemers, maar dan zonder ontslagbescherming. Ze zijn geen zelfstandigen, laat staan ondernemers. Ze mogen gemaakte kosten dus niet aftrekken, en investeringen niet afschrijven. Probeer de opdrachtgever liever te overtuigen om de opdracht op freelance-basis te verstrekken.
5. Wie direct voor eindklanten werkt, kan het meeste vragen. Zorg er daarom voor dat er niet te veel schakels zitten tussen uzelf en de eindklant. Maximaal twee is een mooi streven, anders worden vooral die andere schakels rijk.
6. Een boekhouder is geen overbodige luxe. Al is het maar omdat het inhuren van zo iemand disciplinerend kan werken. Het verhoogt de kans dat bonnetjes worden bewaard en dat de belastingaangifte op tijd de deur uitgaat. Bovendien kan hij erop wijzen dat het beter is een zakelijke rekening te openen en die niet leeg te plunderen. De btw en de belasting moeten ook nog worden betaald.
7. Wie eigen baas wordt, neemt risico’s. Het risico van arbeidsongeschiktheid kan bijna niemand zelf dragen, dus dat moet worden afgedekt. Het Sociaal Fonds Zelfstandigen (www.sfz.nl) is gespecialiseerd in verzekeringen voor freelancers en heeft relatief gunstige prijzen.
8. Ook de oude dag is niet meer vanzelf verzorgd. Verzekeraars bieden allerlei pen–sioenregelingen voor zelfstandigen, maar pas op: vaak zijn de kosten hoog. Een aantal vakbonden heeft inmiddels ook een pen–sioenregeling voor zelfstandigen. Die van het Alternatief Voor Vakbond (AVV) is goedkoop en simpel, en wordt in de toekomst mogelijk uitgebouwd tot een ‘echt’ – en dus solide en relatief goedkoop – pensioenfonds.
9. Dan nog de belasting. Zzp’ers mogen dan behoorlijk wat risico lopen, dat maakt ze voor de Belastingdienst nog niet meteen ondernemer. De fiscus toetst aan de hand van een lange lijst van niet al te specifieke eisen of er sprake is van ondernemerschap. Het helpt als er sprake is van kapitaal in de onderneming, en van investeringen en uitgaven aan marketing. Een van de weinige gekwantificeerde eisen betreft het aantal uren dat aan ‘de zaak’ moet worden besteed. Dat zijn er minimaal 1.225 per jaar, ofwel zo’n 25 per week.
10. Wie aan het vage eisenlijstje van de fiscus voldoet, komt in aanmerking voor extra aftrekposten. Voor al die andere eigen bazen geldt: omzet minus kosten = winst, en daarover wordt afgerekend. Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken: iemand die voor de inkomstenbelasting niet als ondernemer wordt gezien, moet soms toch net als een ondernemer btw afdragen. Dat staat los van elkaar.
Door Esther van Rijswijk
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement