zondag 27 mei 2012

Tags

Wetenschap

Toelichting en verantwoording bij 'De beste scholen 2012'

woensdag 11 januari 2012 10:30

Voor de elfde keer vergeleek Elsevier alle middelbare scholen in Nederland: vwo, havo en vmbo. Het vmbo is onderverdeeld naar scholen met de gemengde en/of theoretische leerweg (vmbo-gt), kaderberoepsgerichte (vmbo-k) en basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b).

Elsevier onderzoekt hoe goed scholen zijn Elsevier onderzoekt hoe goed scholen zijn

De gebruikte gegevens zijn afkomstig van de Inspectie van het Onderwijs. Het merendeel vormt de grondslag voor de ‘opbrengstgegevens’: rendementen en examencijfers zoals de Inspectie die op haar website zet.

Een school is alleen opgenomen in het Elsevier-overzicht als voldoende gegevens beschikbaar zijn. Over particuliere scholen heeft de Inspectie geen informatie. Alle gegevens hebben betrekking op de examenjaren 2008 tot en met 2010, het meest recente jaar waarvan Inspectiecijfers bekend zijn. Elsevier is verantwoordelijk voor de bewerking.

Hieronder staan alle gegevens uit het onderzoek naar De Beste Scholen uitgelegd.

Schoolkenmerken
Voor veel ouders zijn de onderwijsvisie, levensbeschouwelijke grondslag en de samenstelling van de schoolbevolking belangrijk bij het kiezen van een school voor hun kind.

Identiteit/onderwijsvisie
De afkortingen verwijzen naar de levensbeschouwelijke grondslag en onderwijsvisie. Ook staat vermeld of een school tweetalig onderwijs biedt.

Aantal leerlingen
Het aantal leerlingen per vestiging (van alle opleidingstypen op die locatie).

APC-leerlingen
Percentage leerlingen uit ‘armoede-probleem-cumulatiegebieden’ (apc) in het derde leerjaar en hoger. Dit zijn door het Centraal Bureau voor de Statisiek aangemerkte postcoderegio’s waarin minstens 8,6 procent van de huishoudens een laag inkomen heeft, minstens 8,8 procent leeft van een uitkering en minstens 7,2 procent van de hoofdkostwinners van niet-westerse afkomst is. Scholen krijgen extra geld - het leerplusarrangement - bij meer dan 30 procent apc-leerlingen in het vmbo, bij meer dan 50 procent in het havo en 65 procent in het vwo.

Prestaties 2009
Elsevier brengt de prestaties van scholen in 2010 in kaart aan de hand van de volgende vier indicatoren.

Van de 1ste naar de 3de zonder zittenblijven 2010
Het percentage leerlingen dat zonder zittenblijven in de derde klas is gekomen. Leerlingen die in het derde leerjaar onderwijs volgen in een onderwijssoort die hoger is dan het advies dat de basisschool hen gaf, krijgen pluspunten. Leerlingen die in de derde klas een niveautje lager zitten dan hun basisschooladvies, krijgen een minpunt.

Onvertraagd naar diploma 2010
Het percentage leerlingen dat zonder zittenblijven de bovenbouw doorloopt én het diploma haalt. Door deze combinatie worden de scholen gecorrigeerd die het jaar voor het examen streng selecteren.

Gemiddeld examencijfer 2010
Het gemiddelde cijfer van leerlingen voor het centraal schriftelijk examen.

Prestaties 2008-2010
De prestaties van een school kunnen van jaar tot jaar flink schommelen. Daarom beoordeelt Elsevier de gemiddelde prestaties over drie jaar: 2008, 2009 en 2010. Van minstens twee jaar moeten de gegevens bekend zijn. Ook is meegerekend hoe groot het verschil is tussen schoolonderzoek en centraal examen.

In tegenstelling tot de Inspectie van het Onderwijs hanteert Elsevier ‘harde cijfers’ over de prestaties, zonder extra compensatie voor scholen met veel achterstandsleerlingen. Voor elk van deze gegevens is berekend hoe een school presteert in vergelijking met andere scholen. Zeer goede scholen presteren beter dan 90 procent van alle scholen (++), goede scholen presteren beter dan 75 procent (+), 50 procent presteert gemiddeld (+/-), matige scholen presteren slechter dan 75 procent (-) en slechte scholen tenslotte presteren slechter dan 90 procent (- -) van alle scholen.

Rendement onderbouw 2008-2010
Gebaseerd op het percentage leerlingen dat onvertraagd in het derde leerjaar komt. Daarbij is gekeken naar zittenblijvers en uitvallers. Bovendien is rekening gehouden met het advies van de basisschool.

Let op: bij het onderbouwrendement bestaat geen onderscheid naar opleidingstype. Bij een vestiging met zowel vmbo-gt, havo als vwo krijgt elk type dus dezelfde, gezamenlijke, score. De gemiddelde score is gebaseerd op de plussen en minnen die de scholen in de jaren 2008, 2009 en 2010 behaalden.

Onvertraagd naar diploma 2008-2010
Het gemiddelde percentage leerlingen dat in de jaren 2008, 2009 en 2010 onvertraagd de bovenbouw doorliep én het diploma behaalde. Op basis van deze score zijn plussen en minnen toegekend.

Verschil Schoolexamen en Centraal Examen 2008-2010
Het gemiddelde verschil tussen het schoolexamen en centraal examen, berekend over 2008, 2009 en 2010. Scholen die te soepel zijn bij het schoolexamen worden negatief beoordeeld (- of - -). Scholen die bij het schoolexamen strenger zijn, krijgen juist een positieve beoordeling (+ of ++). En een ‘+/-’ is gemiddeld.

Gemiddeld examencijfer 2008-2010
Het gemiddelde cijfer dat leerlingen in de jaren 2008, 2009 en 2010 voor het centraal examen behaalden. De verschillen tussen de gemiddelde cijfers van scholen zijn uitgedrukt in plussen en minnen.

Eindoordeel
Zowel Elsevier als de Inspectie geven scholen een eindoordeel.

Oordeel Elsevier
Gebaseerd op vier gegevens, gemiddeld over 2008, 2009 en 2010, uitgedrukt in plussen en minnen: het rendement van de onderbouw, het percentage dat onvertraagd het diploma behaalt, het verschil tussen schoolonderzoek en centraal examen en het gemiddelde cijfer voor het centraal examen. Het eindoordeel is het gemiddelde van de vier scores en varieert, net als de afzonderlijke onderdelen, van zeer goed (++), goed (+) of voldoende (+/-) tot matig (-) of slecht (- -).

Let op! Als een school op meer dan één van de vier criteria matig (-) of slecht (- -) scoort, dan krijgt ze een onvoldoende.

Oordeel Inspectie
Op haar website publiceert de Inspectie voor alle scholen een eindoordeel. Dit is gebaseerd op dezelfde onderdelen als het Elsevier-oordeel, gemiddeld over 2008, 2008 en 2009. Maar er zijn belangrijke verschillen. Bij het oordeel van de Inspectie is behalve met het schooladvies ook rekening gehouden met de samenstelling van de schoolbevolking in de bovenbouw. Scholen met veel ‘apc-leerlingen’, instromers in de derde klas uit een andere school en - in het vmbo - leerlingen met leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), krijgen van de Inspectie een coulante beoordeling. Motief: deze scholen moeten meer doen - dat wordt de ‘toegevoegde waarde’ van een school genoemd - om hun leerlingen naar het diploma te brengen.

Ook de telling van de Inspectie werkt anders. De Inspectie maakt voor de rendementen van onderbouw en bovenbouw, en voor resultaten bij het centraal examen een verdeling in vijf klassen - bekend als de ‘bolletjesbeoordeling’. Het verschil tussen schoolexamen en centraal examen krijgt drie oordelen. Ligt het cijfer voor het schoolexamen meer dan een heel punt hoger, dan heet dat een ‘zeer groot verschil’. Tussen een half en heel punt hoger heet ‘groot verschil’. Andere scores gelden als ‘gering verschil’.

De Inspectie hanteert slechts twee eindoordelen: voldoende (v) of onvoldoende (o). Ook als het rendement van de onderbouw ontbreekt, krijgt de school een beoordeling. Scoort de school op meer dan één onderdeel onvoldoende, dan luidt het eindoordeel ‘onvoldoende’.


advertentie







advertentie