maandag 4 april 2005 12:13
Kijk uit voor de zon, is ons tientallen jaren geleerd door talrijke ernstig kijkende heren in witte jassen. Foutje. Zonlicht blijkt, mits met mate geconsumeerd, een wondermiddel dat de kans op ernstige ziekten, zoals borst- en prostaatkanker, depressie en multiple sclerose, kan verkleinen. Let the sunshine in!
Een jaar of twintig, dertig lang is menig burger de stuipen op het lijf gejaagd. De zon zou levensgevaarlijk zijn. Vooral mensen met blond dan wel rossig haar en sproeten of moedervlekken moesten de zon mijden.
Sproetenbussen waar badgasten zich op huidkanker konden laten onderzoeken, trokken langs de vaderlandse stranden, talloze brochures en voorlichtingsfilmpjes verkondigden de boodschap: de zon is kankerverwekkend.
Schokkend
Je zou het bijna ironisch kunnen noemen als het niet zo schokkend zou zijn: het is niet waar. Althans, de boodschap is onvolledig. De afgelopen tien jaar is in wetenschappelijke kring het inzicht gegroeid dat zonlicht waarschijnlijk juist beschermt tegen de zo gevreesde ziekte. En tegen een hele reeks andere kwalen: depressie, hoge bloeddruk, multiple sclerose, hartaanvallen.
En daarmee is, over ironie gesproken, de geneeskunde weer terug bij de legendarische Griekse arts Hippocrates – iedere afgestudeerde medicus moet zijn eed zweren – die het zonnebad als een van de krachtigste instrumenten in zijn arsenaal beschouwde. Of bij de Deense bioloog Niels Ryberg Finsen, die in 1903 de Nobelprijs voor de Geneeskunde kreeg voor zijn onderzoek dat aantoonde dat zonlicht gezond is.
Nog steeds staat overeind dat urenlang bakken in een felle mediterrane of tropische zon huidkanker kan veroorzaken. Maar het nieuwe inzicht leert dat voor zonlicht hetzelfde geldt als voor alcohol: overdaad schaadt, maar een beetje is een weldaad voor het lijf. Anders gezegd: een kwartiertje op een terrasje is prima, maar pas op met een middag strand.
Vitamine D
Het nieuwe inzicht wordt door twee pijlers geschraagd: het belang van vitamine D bij de preventie van allerlei ernstige ziekten, plus de constatering dat die ziekten minder voorkomen in landen die dichter bij de evenaar liggen.
Om met vitamine D te beginnen: ongeveer een eeuw lang is abusievelijk gedacht dat deze stof uitsluitend goed voor de botten zou zijn. Dat vitamine D een cruciale rol speelt bij de vorming van botweefsel staat nog altijd buiten kijf; het skelet bestaat voor een belangrijk deel uit calcium en vitamine D helpt het lichaam om de voorraad van deze stof op peil te houden.
Er zijn twee manieren waarop vitamine D het lichaam bereikt; via zonlicht en via de voeding. De ultraviolette straling in zonlicht stimuleert de huidcellen om vitamine D aan te maken. Daarnaast zijn er voedingsmiddelen (zoals vette vis) waarin van nature vitamine D zit of waaraan het is toegevoegd (in Amerika aan melk, snacks en nog een hele batterij producten, in Europa eigenlijk alleen aan margarine).
Industrialisatie
De relatie tussen zonlicht en botvorming werd bijna tweehonderd jaar geleden gelegd. Rond die tijd was er in de zojuist geïndustrialiseerde wereld een rachitisepidemie (Engelse ziekte). Daarbij lopen kinderen allerlei vergroeiingen en misvormingen op. Aan het begin van de negentiende eeuw constateerde de Poolse arts Jedrzej Sniadecki dat kinderen die in Warschau leefden, veel vaker aan Engelse ziekte leden dan plattelandskinderen.
Hij vermoedde dat dit met een gebrek aan zonlicht te maken had. Rond die tijd was de luchtvervuiling veel erger dan tegenwoordig, de sloppen en stegen waren nauw en veel kinderen speelden niet buiten maar werkten in de fabriek. Sniadecki slaagde erin zijn jonge patiënten te genezen door ze naar het platteland (lees: de zon) te sturen. Jammer dat de Nobelprijs toen nog niet bestond.
Aan het begin van de twintigste eeuw zag men vervolgens in dat het lichaam onder invloed van zonlicht vitamine D aanmaakt. Deze stof – die chemisch gezien overigens meer op een hormoon lijkt dan op een vitamine – speelt een sleutelrol in de vorming van botweefsel.
De afgelopen decennia zijn de inzichten over de rol van vitamine D sterk veranderd. Of vitamine D nu uit zonlicht dan wel uit een haring komt, het moet in het lichaam eerst worden omgezet in de actieve vorm (voor liefhebbers: 1,25-dihydroxy vitamine D3).
Anti-kanker
Tot een jaar of dertig geleden werd aangenomen dat dit uitsluitend in de nieren gebeurt; pas in de jaren zeventig werd ontdekt dat niet alleen deze organen de actieve variant van vitamine D kunnen maken, maar dat allerlei lichaamscellen dit kunstje vertonen. Bovendien bleek de actieve variant van vitamine D tumoren te remmen, althans in de reageerbuis.
Een vrij overtuigend laboratoriumexperiment is bijvoorbeeld het bestralen van prostaattumorcellen met ultraviolet licht. De cellen produceren vervolgens de actieve versie van vitamine D en stoppen daardoor met groeien.
Volgens de Amerikaanse hoogleraar dermatologie Michael Holick, groot pleitbezorger van gereguleerd zonnen, is geactiveerde vitamine D zelfs een van de allersterkste anti-kankermiddelen. Dat klinkt plausibel, gegeven het feit dat farmaceutische bedrijven momenteel volop in de weer zijn om op basis van vitamine D nieuwe medicijnen tegen kanker te ontwikkelen.
Daarnaast is er een karrenvracht aan aanwijzingen vanuit de epidemiologie, het vakgebied dat kijkt naar verschillen in ziektepatronen tussen groepen mensen. Al in de jaren veertig van de afgelopen eeuw werd ingezien dat mensen die in een zonnig klimaat leven minder vaak kanker hebben. Dat geldt zowel voor Noord-Amerika als voor Europa en voor diverse vormen van kanker, met name prostaat-, borst- en dikkedarmkanker. De relatie is duidelijk: hoe dichter bij de polen, hoe meer kanker.
Sjoemelen
Epidemiologie is echter allesbehalve een keiharde natuurwetenschap. Met cijfers kan sowieso behoorlijk worden gesjoemeld, en achter een statistisch verband kan van alles en nog wat schuilgaan. In zuidelijker landen wordt doorgaans anders gegeten (meer olijfolie), anders geleefd en er wonen andere mensen met andere genen.
Kortom: waarom zou de relatie tussen breedtegraad en kanker te herleiden zijn tot zonlicht en vitamine D en bijvoorbeeld niet tot de consumptie van olijfolie?
Welnu, de afgelopen tien jaar zijn er steeds meer en steeds betere epidemiologische artikelen gepubliceerd die aannemelijk maken dat zonlicht hier inderdaad een rol in speelt. Die artikelen worden in toenemende mate ook afgedrukt door medische bladen, die niet automatisch positief tegenover epidemiologisch onderzoek staan.
Zo publiceerde het Engelse blad Lancet in 2001 een studie waaruit naar voren kwam dat Britten die regelmatig op vakantie gaan naar zonnige oorden, minder vaak prostaatkanker hebben dan hun landgenoten die gezellig thuisblijven. Ook voor andere ziekten gaat het verband op.
Argumenten
Ze voerden bijvoorbeeld bij de proefpersonen metingen uit die objectief aangaven hoe vaak hun huid aan de zon was blootgesteld. De conclusie was klip en klaar: regelmatige blootstelling aan de zon verkleint het risico op multiple sclerose met ongeveer 30 procent.
Bij elkaar is het heel wat: de experimenten in de reageerbuis die aantonen dat de actieve variant van vitamine D de groei van tumorcellen remt, plus de epidemiologische observaties dat landen met meer zonneschijn minder kanker en multiple sclerose kennen. Daar kunnen nog andere argumenten aan worden toegevoegd.
Zo is er de observatie dat mensen met een zwarte huid meer last hebben van sommige tumoren, met name in de prostaat, en ook ernstiger vormen van deze kanker vertonen. Naarmate de huidskleur donkerder is, dringt het ultraviolette zonlicht er moeilijker in door. Dat is natuurlijk een bescherming tegen huidkanker, maar het kent ook een nadeel: zwarten maken, onder invloed van zonlicht, minder snel vitamine D aan dan blanken.
Dit biedt volgens antropologen en evolutiedeskundigen ook een verklaring voor de verschillen in huidskleur. Mensen die dichter bij de polen wonen, hadden in het verre verleden veel baat bij een blanke huid: uit het weinige zonlicht halen blanken veel makkelijker vitamine D. Aldus heeft de mutatie die tot een blanke huid leidde, zich verbreid onder onze (zwarte) voorouders die honderdduizenden jaren geleden Afrika verlieten en naar Europa en Azië uitzwermden.
Blank
Hoe dan ook, zwarten en mensen met een mediterrane achtergrond (en dus een minder blanke huid) maken minder goed vitamine D aan uit zonlicht. Dat zwarten in de Verenigde Staten vervolgens meer en ernstiger vormen van prostaatkanker hebben dan blanken, is een extra indicatie dat vitamine D inderdaad tegen kanker beschermt.
Er is nog een argument. Zoals de Amerikaanse hoogleraar dermatologie Michael Holick, mede-ontdekker van de actieve variant van vitamine D, schrijft in zijn boek The UV Advantage (Het ultraviolette voordeel): ‘Het onmiskenbare feit is dat mensen zo geëvolueerd zijn dat ze van zonneschijn afhankelijk zijn voor lijf en leden.’
Als zonlicht zo verschrikkelijk gevaarlijk zou zijn als ons de afgelopen decennia door Jan en alleman is voorgespiegeld, hoe komt het dan dat het zo heerlijk voelt om in maart of april – als de winter definitief voorbij is – dat eerste terrasje te pikken? Het hele lijf gaat gloeien, je voelt je als herboren, allerlei ideeën borrelen op, je krijgt weer zin in het leven. Zou ons lichaam, dat na miljoenen jaren evolutie toch redelijk uitgebalanceerd in elkaar zou moeten zitten, het zo bij het verkeerde eind hebben?
Nee. Zo langzamerhand komen ook allerlei Nederlandse deskundigen tot het inzicht dat zonlicht, mits met mate geconsumeerd, buitengewoon heilzaam is.
Gebrek
Okay, zover als de Amerikaanse natuurkundige William Grant gaan ze niet. Deze onderzoeker bij de ruimtevaartorganisatie Nasa legt zich toe op de statistische relatie tussen kanker en breedtegraad en op basis daarvan beweert hij dat het aantal gevallen van kanker jaarlijks alleen al in de Verenigde Staten met 185.000 zou kunnen worden teruggebracht, wanneer Amerikanen wat vaker in het zonnetje zouden zitten. Idem voor Europa: Grant schat dat een kwart van alle borstkanker in onze contreien door een gebrek aan zonlicht ontstaat.
De echte diehards, de klinisch medici, menen dat nog niet 100 procent overtuigend is aangetoond dat zonlicht via vitamine D beschermt tegen kanker en andere ernstige ziekten. Ook plaatsen ze de kanttekening dat als zonlicht een heel sterk beschermend effect tegen kanker zou hebben de populariteit van mediterrane vakanties terug te vinden zou moeten zijn in een daling van de kankersterfte.
Hier valt echter tegenin te brengen dat het niet om intensieve zonaanbidding gedurende enkele weken per jaar gaat, maar om een continue lichte dosis zonlicht. Feit is in elk geval dat steeds meer medici stukje bij beetje overstag gaan.
Aanwijzingen
Paul Lips van de Vrije Universiteit Amsterdam: 'Ik durf nog niet zover te gaan dat zonlicht werkelijk tegen kanker beschermt, maar ik geef toe, de aanwijzingen worden sterker.'
Hans van Leeuwen, hoofd calcium- en botonderzoeksgroep van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam: 'De epidemiologische studies worden ondersteund door de groeiremmende effecten op kankercellen die ook wij in het laboratorium hebben aangetoond.'
Het Koningin Wilhelmina Fonds, dat de touwtjes in handen heeft van zowel de financiering van kankeronderzoek als de voorlichting over de ziekte, was altijd wat minder rabiaat anti-zon dan vergelijkbare buitenlandse organisaties, getuige de campagne 'Geniet van de zon, maar maak het niet te gek'. Maar de organisatie overweegt nu om in nieuwe campagnes nog wat verder te gaan en expliciet te benadrukken dat een beetje zonlicht vermoedelijk de kans op kanker verlaagt.
Kennis
Hoe moet de burger, midden in deze medische revolutie en in afwachting van de nieuwe richtlijnen, omgaan met de nieuwe kennis?
Een goede vergelijking, zo zeggen alle geraadpleegde deskundigen, is die met alcohol. In de medische wereld is in de loop van de afgelopen decennia consensus gegroeid dat een beetje alcohol gezond is, gezonder dan heel veel alcohol – dat spreekt voor zich – maar ook onmiskenbaar gezonder dan geheelonthouding. Hetzelfde geldt voor zonlicht: een beetje (bij voorkeur dagelijks maar in streken waar dat niet niet kan, zoveel mogelijk) is niet alleen gezonder dan te veel, maar ook gezonder dan binnenblijven.
Dat roept natuurlijk de vervolgvraag op wat de ideale dosis zonneschijn is. Ook daar bewijst de vergelijking met alcohol zijn diensten. Net zo als te veel alcohol een lichamelijke protestreactie oproept (dronkenschap), geldt dat voor te veel zonlicht (verbranding). De Amerikaan Holick, profeet van de nieuwe zonneleer, bepleit elke dag ongeveer een kwart tot de helft van de dosis zonneschijn die tot verbranding leidt, te ondergaan.
Blond
Dat betekent voor de meeste mensen met een blanke huid en blond haar dat ze zich dagelijks ongeveer vijf minuten tot een kwartier onbeschermd (dus zonder zonnebrandmiddelen, die houden immers de heilzame straling tegen) aan de zon moeten overgeven. Wie eigenwijs is en per se langer in de zon wil blijven, dient zich vervolgens wel goed in te smeren met een middel dat de diverse soorten ultraviolette straling (zowel UV-A als UV-B) tegenhoudt.
Mensen met een getinte huid en donker haar – Zuid-Europeanen, Turken, Marokkanen – moeten dagelijks langer in de zon doorbrengen, een half uur of zo, en mensen met een Afrikaanse achtergrond doen er volgens Holick zelfs goed aan om minstens een uur onbeschermd in de zon te zitten om aldus hun vitamine D voorraad op peil te brengen.
Buiten kijf staat nog steeds dat te veel zonlicht gevaarlijk is. Urenlang bakken op een strand is sowieso een gewoonte die alleen door blanken (mad dogs and Englishmen, zoals het gezegde luidt) wordt gepraktiseerd: in tropische landen weten ze wel beter.
Verbranding
Verbranding door de zon is en blijft riskant. Het ultraviolette zonlicht beschadigt dan het erfelijk materiaal van de huidcellen. Hoe ernstiger de zonnebrand is, hoe groter de genetische schade. In het ergste geval kan een domino-effect optreden dat uiteindelijk na vele, soms wel tientallen jaren tot diverse soorten huidkanker kan leiden.
Sinds een gebruinde huid een teken van welvaart werd en vooral vanaf 1970, toen een mediterrane zomervakantie, een skivakantie hoog in de bergen (met extra veel ultraviolet licht) dan wel een voorjaarsvakantie in de Cariben voor velen binnen handbereik kwam, valt er een gestage toename van het aantal gevallen van huidkanker te constateren.
Overlijden
Zowel van de tamelijk ongevaarlijke (mits tijdig ontdekte) varianten als van het uiterst gemene melanoom, een van de kwaadaardigste vormen van kanker, waaraan jaarlijks zo’n vijfhonderd Nederlanders overlijden. Het goede nieuws daarbij is evenwel dat ook van deze melanomen steeds duidelijker wordt dat ze bovenal veroorzaakt worden door fikse verbrandingen, en dus niet door regelmatig een kwartiertje zonnen.
De nadruk heeft in de afgelopen decennia te veel op de nadelige effecten van zonnen gelegen. Zoals Holick in The UV Advantage (over Amerika en Australië) schrijft: 'Overdreven waarschuwingen voor het kwaad van zonnen hebben velen ertoe gebracht zich onder hoeden en lange mouwen en achter gezichtsbedekkende zonnebrillen te verschuilen.' Terwijl er op de keper beschouwd meer mensen zijn die te weinig dan te veel in de zon komen.
Niet-westerse allochtonen bijvoorbeeld. Afkomstig uit verschillende landen en culture, hebben zij ook verschillende redenen om de zon te mijden: in Afrika is het eenvoudigweg te heet, in sommige culturen (bijvoorbeeld de Hindoestaanse) is een lichte huid een schoonheidsideaal en in bepaalde streng islamitische samenlevingen is elk bloot stukje vrouwenhuid al aanstootgevend.
Dosis
Hoe dan ook, feit is dat in voornoemde gebieden de zon dusdanig sterk is dat er al heel snel een redelijke dosis ultraviolet licht wordt opgedaan. Feit is eveneens dat naarmate de huid donkerder is, de bezitter van die huid langere tijd in de zon moet doorbrengen (of veel vette vis moet verorberen) om aan de gewenste hoeveelheid vitamine D te komen.
Feit is ten slotte ook dat veel niet-westerse allochtonen zich tegenwoordig in landen bevinden waar, om het vriendelijk te formuleren, de zon zich niet altijd van zijn beste kant laten zien.
In die zin vormen ze het diapositief van de Australiërs. Dat zijn Ieren en Kelten die door een speling van het lot down under terecht zijn gekomen waardoor ze aan een vorm van zonlicht worden blootgesteld die veel te sterk is voor hun tere huid.
In vergelijking met de rest van de wereld hebben ze dan ook extreem vaak huidkanker. Waar in Nederland ongeveer een op de tien mensen ooit met huidkanker (doorgaans een van de ongevaarlijke varianten) te maken krijgt, is dat in Australië twee op de drie. De Leidse biofysicus Frank de Gruijl: 'Australiërs zijn verkeerde mensen op de verkeerde plek.'
Gevarenzone
Omgekeerd geldt dit in zekere zin ook voor zwarte Afrikanen, Surinamers, Turken en Marokkanen in Nederland. Hun lichaam is in de loop van de evolutie gewend geraakt aan een krachtige zon. Thans bevinden ze zich echter in een land dat beroemd is geworden door zijn schilderachtige wolken. Ook dat kan tot gezondheidsproblemen leiden. Epidemioloog Coebergh: 'De allochtonen in Nederland en Noord-Engeland zitten in de gevarenzone.'
Eerder verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor geneeskunde een studie die aangaf dat 70 procent van de gesluierde vrouwen in de Haagse Schilderswijk een tekort aan vitamine D heeft. De Amerikaan Holick heeft vergelijkbare studies verricht en komt tot de conclusie dat 80 procent van de oudere Afro-Amerikanen te weinig vitamine D in het bloed heeft.
Internist Paul Lips van de Vrije Universiteit Amsterdam verricht dergelijke studies ook, maar is optimistischer. Zo’n 20 procent van de niet-westerse allochtonen in Amsterdam heeft volgens hem een tekort aan vitamine D.
Lips geeft allochtonen die hij ontmoet het advies regelmatig een haring te eten, vitaminepillen te nemen dan wel af en toe de zon of zonnebank op te zoeken. Van een gerichte campagne om niet-westerse allochtonen ervan te doordringen dat ze in Nederland gezondheidsrisico’s lopen, is evenwel geen sprake.
Zonmijders
Datzelfde geldt voor die andere 'zonmijders': kantoortijgers, couch potatoes, computernerds en ouden van dagen. Zij allen zouden er goed aan doen om af en toe een kwartiertje – tijdens de lunch (met een haring!), na het werk, in het weekeinde – de helende werking van de zon te ondergaan.
Het voelt niet alleen goed, het ís ook goed.
Eerder verschenen in Elsevier, 26 juni 2004
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement